Ontwerptekst  niveaudecreet deeltijds kunstonderwijs: een samenvatting…

 

Wat staat in het ontwerp ?

 

Op 12 mei 2017 kwam er een eerste goedkeuring van de Vlaamse regering op de ontwerptekst voor een decreet dat het deeltijds kunstonderwijs een nieuwe weg wil doen inslaan.

Deze tekst zet het proces in gang dat finaal moet leiden naar de invoering van het decreet op 1 september 2018. Het is als het ware een kladversie van de definitieve tekst waar weliswaar nog aan gesleuteld kan worden en die zou moeten evolueren naar een evenwichtig geheel waar alle betrokken partijen zich in kunnen vinden.

Daarom komen er adviezen van o.m. de Vlaamse onderwijsraad en zullen de vakbonden en de werkgevers nogmaals kansen krijgen om hun opmerkingen en suggesties te formuleren.

Belangrijk is ook sinds kort de aanwezigheid van een expert deeltijds kunstonderwijs op het kabinet. Deze functie wordt ingevuld door Herman De Vleesschouwer, directeur S.A.M.W.D. Sint Niklaas, die voor lange tijd gedetacheerd wordt en wiens expertise ingezet zal worden als toetssteen. Hij is tevens aanwezig als vertegenwoordiger van het veld , d.w.z. van alle directeurs en leerkrachten. De opmerkingen vanuit het veld kunnen via hem rechtstreeks doorstromen naar de beleidsmakers. We hopen dat deze samenwerking zal leiden tot een evenwichtige en juist geformuleerde tekst. Immers, het verschil van een paar woorden, het aanpassen van een cijfer na de komma kan grote gevolgen hebben.

Het decreet regelt de organiseerbaarheid van het deeltijds kunstonderwijs. Deze tekst heeft betrekking op de rechten en plichten, opdrachten , structuur, financierbaarheid, kortom : alles wat nodig is om onderwijs aan een gesubsidieerde academie te organiseren. De tekst heeft een wettelijk karakter en zal gelden zolang er geen ander decreet wordt geschreven. De definitieve goedkeuring wordt gepland tegen februari 2018.

Naast het decreet komt er nog een uitvoeringsbesluit dat zal handelen over de meer concrete inhoud van het onderwijs. Dit besluit heeft een minder sterk wettelijk karakter dan een decreet en heeft het voordeel dat er in de loop der jaren makkelijker wijzigingen kunnen in aangebracht worden. Zo kan het deeltijds kunstonderwijs mee evolueren met een steeds veranderende maatschappij.

Een belangrijk onderdeel in de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs is de opleidingsstructuur . De overheid  voorziet in het decreet een opleidingsstructuur die bestaat uit vier niveaus of graden :

1e graad: startersniveau voor kinderen jonger dan 8 jaar (duurtijd 2 jaar)

2e graad: startersniveau voor iedereen vanaf 8 jaar (duurtijd 4 jaar)

3e graad: semi-gevorderden niveau (duurtijd 3 jaar)

4e graad: gevorderden niveau (duurtijd 3 jaar)

De kwalificatie wordt behaald na de vierde graad.

Deze indeling sluit aan bij de bestaande lagere, middelbare en hogere graad. Voor de domeinen drama en muziek is het bestaan van de eerste graad nieuw. Ook nieuw is de mogelijkheid om in bepaalde graden (afhankelijk van het domein) een traject te versnellen of te vertragen. Het komt er op neer dat het totaal aantal lestijden voorzien voor een bepaalde graad kan doorlopen worden in een kortere of langere tijd. Het urenpakket per week wordt dan groter of kleiner.

Aanvullend aan de 4de graad (2 leerjaren) kan in elk domein een specialisatiegraad worden georganiseerd. Dit wordt een kortlopende studierichting die niet ingebed wordt in een bepaalde graad en die bedoeld is voor excellerende leerlingen.

Ondanks het feit dat het bij de aanvang van het schrijven van een nieuw decreet de bedoeling was om in alle domeinen hetzelfde parcours aan te bieden , is de overheid ingegaan op de eis van het domein beeldende kunsten om het parcours te behouden zoals in de huidige structuur . Dit wil zeggen dat alleen kinderen en jongeren starten in de 1e graad en vervolgens de trajecten 2e graad en 3e graad doorlopen. Volwassen leerlingen zullen ook in de toekomst onmiddellijk ingeschreven kunnen worden in de 4de graad in een traject van 4/5 jaar (8 lestijden). Zij kiezen dan voor specifieke ateliers. Volwassenen die het wensen, kunnen zich bij aanvang inschrijven in de 3de graad( twee leerjaren).

In tegenstelling tot het domein BK voorziet de overheid in de ontwerptekst voor het domein podiumkunsten( muziek, woord en dans) een langer parcours voor alle volwassenen. Zij starten in  de tweede graad.

Domein dans :

De huidige eerste twee jaren in de lagere graad stemmen overeen met de 1e graad waarop de volgende vier jaren lagere graad de 2e graad zullen vormen. Nieuw is wel dat de 2e graad in een traject van 2 jaar kan worden afgelegd met telkens 4 lestijden per week (ten opzichte vaan de twee wekelijkse lestijden in het normale traject). Volwassenen starten ook in de tweede graad in een traject van 4 jaar.

In de derde en vierde graad blijft het aantal leerjaren van de huidige structuur behouden maar verhoogt het aantal wekelijkse lestijden: in de 3e graad worden dat 2,5 wekelijkse lestijden , in de 4e graad 3 wekelijkse lestijden.

Net als in de andere domeinen zijn er ook leerlingen die in het domein dans een receptief-reflectieve opleiding willen volgen. Ook hier voorziet de opleidingsstructuur een kortlopend traject ‘danscultuur’ van 3 leerjaren. Dit aanbod is enigszins vergelijkbaar met de huidige optie ‘theorie van de dans’. Zowel leerlingen die al één of meer graden van een andere langlopende studierichting gevolgd hebben als leerlingen zonder enige voorkennis kunnen een dergelijk traject volgen.

Nieuw is de mogelijkheid om een specialisatie dans te volgen. Dit opleidingstraject van 2 jaar naar analogie van de huidige specialisatiegraad beeldende kunst biedt uitmuntende leerlingen de kans om hun dko-opleiding voort te zetten.

 

Domein drama

De 1e graad bestaat uit twee leerjaren met elk 1 lestijd per week.

De huidige lagere graad komt overeen met de 2e graad, de middelbare graad met de 3e graad en de hogere graad wordt gelijk gesteld met de 4e graad. De 1e graad is nieuw in het domein woordkunst-drama. In de tweede graad wordt het aantal leerjaren en wekelijkse lestijden van de lagere graad behouden. Het traject van 4 leerjaren met 1 wekelijkse lestijd stemt overeen met de huidige lagere graad. Het snelle traject van 2 leerjaren met 2 wekelijkse lestijden is nieuw. Anders dan vandaag zullen volwassenen in de 2e graad  starten.

In de 3e en 4e graad blijft het aantal leerjaren en wekelijkse lestijden van de huidige middelbare en hogere graad behouden.

Net als in de andere domeinen kunnen leerlingen in het domein woordkunst-drama een receptief-reflectieve opleiding volgen. Ook hier voorziet de opleidingsstructuur een kortlopend traject ‘woordkunst-dramacultuur’ van 3 leerjaren. De kortlopende studierichting ‘schrijver’ stemt overeen met de huidige optie literaire creatie in de hogere graad woordkunst. Het huidige traject van drie leerjaren met twee wekelijkse lestijden wordt behouden.

Nieuw is de mogelijkheid om een specialisatie woordkunst-drama te volgen. Dit opleidingstraject van 2 jaar naar analogie van de huidige specialisatiegraad beeldende kunst biedt uitmuntende leerlingen de kans om hun opleiding voort te zetten.

Domein muziek

Voor de nieuwe 1e graad voorziet de opleidingsstructuur twee leerjaren met elk 1 lestijd. De mate waarin leerlingen in de eerste graad ook al één of meer instrumenten leren bespelen, is een pedagogische keuze van de academie.

Voortaan zullen leerlingen in de nieuwe 2e graad meteen met een instrument kunnen starten. Daarom voorziet de opleidingsstructuur 4 leerjaren met telkens 3 wekelijkse lestijden. De drie componenten van de muziekopleiding zijn: een instrument bespelen, een muziektheoretische basis verwerven en samen musiceren en zingen. Op deze manier kunnen die componenten in gelijke mate aan bod komen.

De overheid legt geen verplichte lessenroosters op, het is aan de academies zelf om hun lessenroosters samen te stellen.

De globale studieomvang van de huidige lagere graad daalt lichtjes van 13 naar 12 lestijden gespreid over 4 leerjaren in de toekomstige tweede graad. Ook volwassenen zullen in de tweede graad voortaan 4 leerjaren met 3 wekelijkse lestijden volgen, tenzij ze al bepaalde competenties verworven hebben.

In de 3e graad, die overeenstemt met de huidige middelbare graad, behoudt de nieuwe opleidingsstructuur 3 leerjaren met telkens 3 lestijden. Wel worden er verschillende trajectsnelheden mogelijk (3 of vier jaar). Als de academie beide trajecten aanbiedt, kunnen leerlingen kiezen voor een intensiever of minder intensief parcours.

In de 4e graad, die overeenstemt met de huidige hogere graad, behoudt de nieuwe opleidingsstructuur 3 leerjaren met telkens 2 lestijden.

De kortlopende studierichting ‘muziekcultuur’ stemt overeen met de huidige optie ‘algemene muziekcultuur-luisterpraktijk’ in de middelbare graad en de kortlopende studierichting ‘muziekgeschiedenis’ met de huidige optie ‘muziekgeschiedenis’ in de hogere graad. Anders dan vandaag wordt dit opleidingsaanbod niet langer ondergebracht in een bepaalde graad van de opleidingsstructuur.

Nieuw is de mogelijkheid om een specialisatie muziek te volgen. Dit traject van 2 leerjaren biedt naar analogie van de huidige specialisatiegraad beeldende kunst uitmuntende leerlingen de kans om hun opleiding voort te zetten.

Belangrijk in  de toekomstige structuur is het niet verplichtend karakter van de eerste graad. Leerlingen kunnen nog perfect instromen in de tweede graad op de leeftijd van 8 jaar zonder de eerste graad te hebben gevolgd.  En alhoewel de eerste graad voornamelijk is bedoeld voor de 6 en 7 jarigen kunnen kinderen tot de leeftijd van 11 jaar zich inschrijven in de 1e graad . Ook valt het binnen de autonomie van de school wat zij aanbiedt in de 1e graad. Naast de meer specifieke initiatie per domein kan er ook een domein-overschrijdende opleiding worden aangeboden.

 

Eindtermen

In tegenstelling tot andere onderwijsniveaus bestaan er voor het dko tot nu toe geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen maar minimumleerplannen, welke sterk verouderd zijn. Het niveaudecreet voorziet geactualiseerde einddoelen die aansluiten bij de hedendaagse evolutie in kunsten en maatschappelijke verwachtingen van het dko. In 2012 ontwikkelden deskundigen een studieprofiel kunstonderwijs dat als basis diende voor het ontwikkelen van einddoelen. Van de eerste tot en met de derde graad worden de einddoelen basiscompetenties genoemd. Voor de vierde graad zitten de einddoelen vervat in beroepskwalificaties. Leerlingen die het hele traject doorlopen en slagen voor een eindproef krijgen een certificaat met een beroepskwalificatie. Voor leerlingen die zich willen richten op vervolgonderwijs in de kunsten zal de overheid specifieke eindtermen voorzien. Ondanks het verdwijnen van de minimumleerplannen, blijft de academie de vrijheid hebben om er zelf te ontwikkelen en te gebruiken als hulpmiddel.

 

Algemeen

Los van de keuzemogelijkheid valt in de ontwerptekst op dat er veel vrijheid wordt gegeven naar keuzes op lokaal niveau. Zo kan het schoolbestuur het lestijdenpakket naar eigen wil verspreiden over de verschillende leerjaren. De regelgeving bepaalt enkel het totaal aantal lestijden per graad.

Ook de vakkencombinaties kunnen de schoolbesturen zelf bepalen. De verplichte vakkencombinaties zoals die nu door de overheid wordt bepaald, wordt losgelaten. Alle vakken moeten wel passen binnen de einddoelen.

De specialisatieopleiding is een leertraject voor uitmuntende leerlingen. De leerkrachten en directeur zullen hiervoor de toelatingsvoorwaarden bepalen. De beschikbare omkadering voor  de specialisatieopleiding wordt  voortaan per academie bepaald aan de hand van haar leerlingenaantal in de 4de graad.

De leerlingen en afgestudeerden kunnen voortaan gebruik maken van een complementair aanbod van masterclasses, terugkommomenten, interdisciplinaire projecten. De school krijgt een puntenenveloppe ( wordt toegekend vanaf het 3de schooljaar na de inwerkingtreding van het niveaudecreet) om dit te organiseren en bepaalt ook de toelatingsvoorwaarden.

Leerlingen kunnen slechts 1 maal dezelfde opleiding volgen. Aanvullend aan de opleiding zijn de specialisatie en terugkommomenten . Uiteraard kunnen leerlingen wel kiezen om een andere opleiding te volgen in een ander domein of in hetzelfde domein een andere optie (bv een ander instrument, een andere dansstijl,.…). In het verleden waren de  herinstromers in de lagere graad niet financierbaar omdat zij niet ingeschreven waren in het vak AMV. Een adequate omkadering van de herinstromers moet vermijden dat academies nog langer leerlingen dienen te verplichten om bijkomende opleidingen te volgen.

Leerlingen met een beperking die ondanks redelijke aanpassingen te weinig leerwinst boeken om binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven functioneren, hebben recht op een individueel aangepast curriculum.

Het verlengen van het leertraject (overzitten) wordt in het niveaudecreet strikt beperkt tot leerlingen die de einddoelen onvoldoende bereikt hebben. De directeur en de betrokken leerkrachten beoordelen of het verlengen van het leertraject verantwoord is. Het niveaudecreet gaat er daarbij van uit dat de academie op de eerste plaats andere middelen benut om bij onvoldoende leervorderingen te remediëren. Het huidige gedoogbeleid van sommige academies waarbij leerlingen via overzitten van het laatste leerjaar van een graad hun studieduur verlengen, is niet langer mogelijk. Desalniettemin zijn er wel situaties waarbij het verlengen van het leertraject gerechtvaardigd is, bv. overmacht waardoor een leerling in de loop van het schooljaar tijdelijk moet afhaken en te weinig leerwinst heeft gerealiseerd (de leerling wordt in een extra jaar in de vierde graad maar voor 50% financieel omkaderd).

De voormalige term uur-leraar wordt vervangen door lestijd. De overheid besliste om de ongelijkheid in de lestijden tussen BK en podiumkunsten te behouden, een lestijd in BK duurt 50 min. en in podiumkunsten 60 min.

De overheid wil de lokale samenwerkingsverbanden tussen academies en scholen vergroten , hierbij kiest het niveaudecreet bewust voor het kleinschalige, lokale initiatief. De samenwerkingsverbanden ontstaan dus uit vrije wil en op eigen initiatief. Het zwaartepunt ligt bij activiteiten tijdens de schooltijd, dit om alle leerlingen te bereiken. Door de kunstenaar in de klaswerking te introduceren kan deze een beeld geven van de cultuureducatie en leerlingen laten kennis maken met het opleidingsaanbod in het dko. Ook andere samenwerkingsverbanden (reeds bestaande en nieuwe) kunnen ondersteuning krijgen. De overheid voorziet hiervoor ook een puntenenveloppe. Het niveaudecreet voorziet een ondersteuning gedurende drie schooljaren.

Omkadering

Een belangrijk onderdeel in de ontwerptekst is de omkadering van het onderwijzend personeel. Voor de berekening hiervan hanteert de overheid omkaderingscoëfficiënten. Per domein/graad/traject (duur van een graad) wordt een coëfficiënt toegekend dat bepalend zal zijn voor hoeveel lestijd een leerling genereert . Een voorbeeld : in het domein drama en muziek voorziet de overheid voor het tweejarig traject in de eerste graad en een omkaderingscoëfficiënt van 0,06667. Elke leerling zorgt voor 0,06667 u lestijd, wat betekent dat 15 leerlingen een volledig uur lestijd opleveren.

Een ander element dat in sommige gevallen mee bepalend kan zijn in het verwerven van lestijden is de solidariteitsfactor. De solidariteitsfactor is een budgetbeheersingsmechanisme waarmee de globale omkaderingsberekening jaarlijks bijgesteld wordt a rato van de impact van de omkadering voor nieuwe academies (die op een bepaalde afstand liggen) of onderdelen ervan zoals domeinen of structuuronderdelen, en zulks voor de duur van de programmatie. Hij neemt de vorm aan van een aanwendingspercentage waardoor een globale correctie op de omkaderingberekening toegepast wordt. Dat betekent dat zowel academies die niets oprichten als deze die dat wel doen er het effect van ondervinden. Voor academies zonder oprichting zal de solidariteitsfactor bij een gelijke leerlingenpopulatie tot een lichte omkaderingsdaling leiden. De academies met een oprichting zullen hun omkadering zien toenemen, zij het niet voor 100% aangezien ook bij hen de verrekening van de solidariteitsfactor in mindering gebracht wordt.

Lestijden worden dus berekend op basis van leerlingen x omkaderingscoëfficiënt x solidariteitsfactor (indien nodig).

 

Programmatie- en rationalisatienorm.

Een laatste belangrijk punt dat we nog willen meegeven is het onderdeel programmatie- en rationalisatienorm.

programmatienorm: het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag in een academie, domein of structuuronderdeel in een vestigingsplaats moet ingeschreven zijn om in de financierings- of subsidiëringsregeling te worden opgenomen;

rationalisatienorm: het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag in een academie, domein of structuuronderdeel in een vestigingsplaats ingeschreven moet zijn om na de programmatieperiode nog gefinancierd of gesubsidieerd te blijven.

Nabeschouwing

Het was en is nog steeds belangrijk om de cijfers goed te analyseren en een juiste interpretatie te kunnen geven van de totale impact. VerDi en vakorganisaties legden zich reeds toe op een grondige analyse van de cijfers  bij de ontvangst van een eerste versie van de ontwerptekst en zagen een aantal verschuivingen , sommige met dramatische gevolgen. De overheid heeft daarom , nog voor de ontwerptekst ter goedkeuring werd voorgelegd aan het Vlaams Parlement reeds een paar bijsturingen gedaan om het grootste onevenwicht te verminderen. De omkaderingscoëfficiënten worden verder bestudeerd.

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vul a.u.b. de uitkomst in: * Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.