Conceptnota DKO

De Vlaamse minister van Onderwijs

 

Conceptnota aan de Vlaamse Regering

 

Betreft: niveaudecreet deeltijds kunstonderwijs

 

1.    Vooraf

 

Vlaanderen is een open regio met mensen die wereldwijd bekend staan om hun vakmanschap en oog voor detail. Net zoals in de creatieve economie, de nieuwe industrie, onderwijs en wetenschap zijn er in kunst en cultuur voorbeelden van baanbrekend vakmanschap en innovatie te vinden: de Vlaamse films, modeontwerpers en -kunstenaars, de kunststeden. De nieuwe slogan van de Vlaamse Overheid, verbeelding werkt, beklemtoont de drijvende kracht van verbeelding voor innovatie in Vlaanderen.

 

Dit sluit aan bij de conclusies van de OESO n.a.v. een recent onderzoek ‘Art for Art’s Sake?’[1] “Mensen met een kunstopleiding spelen een significante rol in het opzetten van innovatieve processen. Inzetten op de kunsten wordt daardoor een onmiskenbare dimensie van de strategie die een land kan inzetten voor innovatie”. Economieën van de toekomst zullen in toenemende mate nood hebben aan niet-routine en niet-manuele skills. Toekomstige welvaart zal volgens de OESO in toenemende mate afhankelijk worden van innovatie en creativiteit. Het onderzoek toont een sterke correlatie aan tussen kunst in de opleiding aan de ene kant en academische resultaten en tewerkstelling in een innovatieve dienstensector aan de andere.

In tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, zo gaat de OESO verder, staat aandacht voor kunsteducatie en humane wetenschappen innovatie niet in de weg. Integendeel: die OESO-landen die het hoogst scoren op de innovatie-index, bijvoorbeeld Zwitserland en Denemarken, zijn tevens  landen die in verhouding veel investeren in kunsteducatie en  humane wetenschappen.
De OESO ziet de relevantie van kunstonderwijs vooral in het verwerven van artistieke vaardigheden zelf. Daarbij mogen we vaardigheden niet beperken tot technische vaardigheden. Het gaat evenzeer over een ‘habit of mind’ een manier van denken en in het leven staan.

 

Naast het belang van kunstenaars voor innovatie ziet de OESO ook een rol weggelegd voor kunstonderwijs in het behoud en de overdracht van cultureel kapitaal naar de volgende generaties.

 

De OESO concludeert dat we ook in tijden van crisis en ook met het oog op economische innovatie en  creativiteit moeten blijven investeren in kunst- en cultuuronderwijs.

 

Vlaanderen heeft een grootse traditie van kunstonderwijs. Heel wat academies zijn al meer dan 200 jaar oud. Toch is het deeltijds kunstonderwijs (dko) meer dan ooit springlevend en in beweging. Academies leiden leerlingen op tot actieve kunstbeoefenaars die kunnen vertrouwen op hun artistiek vakmanschap, creativiteit en verbeeldingskracht. Recente ontwikkelingen in de kunsten hebben hun weg gevonden naar het dko en leiden tot innovatieve artistieke projecten (cross-over, mediakunst, …). Nieuwe evaluatiemethodieken zorgen ervoor dat de artistieke ontwikkeling van leerlingen als een geheel benaderd wordt en dat gerichte feedback het leerproces doorlopend kan bijsturen en voeden.

 

Leerkrachten en directeurs mogen trots zijn op wat hun academie te bieden heeft. De academie is het centrum van artistieke bedrijvigheid, niet alleen voor de leerlingen die er in hun vrije tijd les volgen, maar ook voor het lokale culturele leven. De vitaliteit van het dko wordt tastbaar in de vele tentoonstellingen, happenings en events die de academies jaarlijks organiseren. Het mag dan ook niet verwonderen dat lokale besturen kunstonderwijs belangrijk vinden en in vele gevallen al sinds jaar en dag grote inspanningen leveren om het financieel en op andere manieren te ondersteunen. Een sterk en zichtbaar dko is het vlaggenschip van een dynamische gemeente en regio die op cultureel en gemeenschapsvormend vlak floreert. Gezamenlijke initiatieven zoals de Dag van het dko kunnen rekenen op een grote opkomst en zorgen voor een positieve en actuele uitstraling van de academies in Vlaanderen en Brussel.

 

Leerkrachten en leerlingen willen een kunstonderwijs dat garant staat voor kwaliteit en tegelijk rekening houdt met de eigenheid van elke leerling, met zijn wisselende levensloop, met zijn interesses. Ze vragen een onderwijs dat vertrekt vanuit de talenten van de leerling en die ten volle tot ontplooiing laat komen. Een onderwijs dat zich op aanvaardbare afstand bevindt, dat toegankelijk en bereikbaar is.

 

De dynamiek van het dko staat in schril contrast met de verouderde juridische kaders waarin het moet werken. De regelgeving schrijft gelijkvormige leertrajecten voor. Die leertrajecten spelen te weinig in op de verschillende leervragen van leerlingen. Ze gaan voorbij aan de verschillende tijdsbestedingspatronen.

De einddoelen zijn neergeschreven in minimumleerplannen die meestal dateren van 1990. Ze bieden weinig ruimte voor nieuwe pedagogische inzichten of actuele ontwikkelingen in de kunsten. Voor sommige opleidingen ontbreken deze minimumleerplannen.

Al in 2003 concludeerde het Rekenhof dat de decretale regelgeving coherentie mist, in vele gevallen onduidelijk en vatbaar voor interpretatie is en op een aantal vlakken te weinig rechtszekerheid biedt (bijvoorbeeld rechten en plichten van leerlingen). Een aantal fundamentele aspecten van het deeltijds kunstonderwijs zijn via uitvoeringsbesluiten geregeld, terwijl ze eigenlijk een decretale grondslag vereisen.

 

Vlaanderen kent een rijk aanbod van formele, niet-formele en informele opleidings- en vormingsinitiatieven voor kunstbeoefenaars. Het dko bevindt zich op het raakvlak van Cultuur en Onderwijs. Hoewel de opleidingen in de vrije tijd plaats vinden, volgen leerlingen formele leertrajecten. Het leren is er ingebed in een structuur die einddoelen en de studieomvang vastlegt.

 

Naast kortlopende lessenreeksen of workshops waarin mensen kunnen proeven of zich verdiepen in een afgebakende materie (bv. a capella zingen)  en op korte termijn resultaat boeken is er in Vlaanderen behoefte aan een procesmatig leertraject, dat over meerdere schooljaren loopt, waarin mensen een bepaalde kunstdiscipline onder de knie krijgen en hierin ook als persoon kunnen groeien. Dergelijke opleidingen maken voor een groot stuk de eigenheid van het deeltijds kunstonderwijs uit. Het dko kan zich daardoor complementair verhouden ten opzichte van andere opleidingsverstrekkers in de domeinen Jeugd en Cultuur.

 

Nieuwe einddoelen en een geactualiseerde opleidingsstructuur moeten het dko sterker verankeren in het onderwijs. Tegelijk moet het nieuwe kader ook voldoende vrijheid laten voor de eigen artistieke en pedagogische invulling door de leerkrachten, rekening houdend met de pedagogisch-artistieke visie van de academie en de individuele ontplooiing van de leerlingen. Einddoelen moeten zo geformuleerd worden dat leerkrachten verschillende invalshoeken kunnen kiezen, een verschillend repertoire kunnen hanteren, andere pedagogische benaderingen kunnen gebruiken, … al naargelang de eigenheid van de leerling,  de leerkracht en de academie. De leerkracht als inspirerende persoonlijkheid is de motor van het artistiek leerproces.

 

Deze conceptnota wil het pad effenen naar een niveaudecreet voor het deeltijds kunstonderwijs dat in deze legislatuur in werking zal treden. Onze buurlanden benijden het deeltijds kunstonderwijs om zijn kwaliteit en toegankelijkheid. De Vlaamse Regering engageert zich voor beleidskeuzes die de huidige kwaliteit en toegankelijkheid van dit uniek onderwijsaanbod waarborgen. Deeltijds kunstonderwijs is volwaardig onderwijs. Een stevige verankering in het onderwijslandschap is dan ook evident, zoals onder meer de Vlaamse Onderwijsraad in eerdere adviezen beaamd heeft[2]. De doelgerichtheid die kenmerkend is voor onderwijs willen we bewaken. Heldere einddoelen en doelgerichte leertrajecten behoeden het dko voor vrijblijvendheid.

 

Tegelijk willen we meer ruimte creëren voor de creativiteit van leerkrachten en leerlingen, en de bewegingsvrijheid van de lokale schoolbesturen. De mogelijkheden voor academies om zelf een opleiding inhoudelijk en organisatorisch vorm te geven zullen toenemen en leiden tot meer pedagogische en artistieke vrijheid. Het spreekt voor zich dat waar de beleidskeuzes ook gevolgen hebben voor de personeelsregelgeving, die ook ter harte genomen zullen worden. Bovendien zullen de afspraken die in het loopbaandebat gemaakt worden, ook meegenomen worden naar het dko.

 

Vlaanderen heeft creatieve geesten nodig, mensen die buiten de lijntjes durven kleuren. Kunstonderwijs kan helpen om jongeren en volwassenen die mindset bij te brengen. Kunst draagt bij tot een duurzame en verbindende samenleving. Zo doen artistieke interventies in steden mensen heel anders kijken naar hun buurt. Het hoeft daarbij niet altijd om professionele kunstenaars te gaan. Ook amateurkunstenaars vervullen en sleutelrol. Zo tonen  amateurkunstenaars bijvoorbeeld in het licht van de herdenking van WO I in evocaties en optochten heel knappe dingen. Kunst en cultuur zorgen letterlijk voor stof tot nadenken en bieden kansen tot dialoog en nuancering. Maar kunst en cultuur doen ook stof opwaaien door bewust kanttekeningen te plaatsen.

 

Daarom wil de Vlaamse Regering  zich inzetten voor een stevige verankering van een hedendaags deeltijds kunstonderwijs in het beleidsdomein Onderwijs en op die manier bijdragen aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen, jongeren en volwassenen. De inspanningen van lokale besturen zijn van levensbelang voor de academies. We willen hen daarom meer ruimte en vertrouwen geven om hun eigen beleid te voeren.

 

2.    Stand van zaken

 

Gedurende twee legislaturen heeft de Vlaamse Overheid intensief een hervorming van het dko voorbereid. Verschillende experten uit het veld hebben in diverse werkgroepen voorstellen uitgewerkt. Het rapport Verdieping/Verbreding[3] schetste in 2008 als eerste de perspectieven voor een inhoudelijke vernieuwing van het dko. In maart 2011 werd de conceptnota Kunst Verandert![4], met goedkeuring van de Vlaamse Regering, aan het veld gepresenteerd. De tekst stelde de uitgangspunten voor de vernieuwing scherp: het dko wordt leerlinggericht, doelgericht en actueel. Competentiegericht onderwijs ingang doen vinden in het dko en aansluiten op de Vlaamse Kwalificatiestructuur werden als ambities naar voor geschoven. Ook voor studieomvang en omkadering werd een raamwerk uitgetekend. In de Discussietekst[5] van oktober 2012 werd de nieuwe opleidingsstructuur verder uitgewerkt.

 

In heel Vlaanderen werd over de verschillende teksten advies gevraagd: niet enkel aan de strategische adviesraden (o.a. de Vlaamse Onderwijsraad), maar ook aan de partners van de klankbordgroep en individueel geïnteresseerden tijdens provinciale infosessies. Alle reacties en feedback samen leidden tot een verfijning of bijsturing van de concepten. De toenmalige plannen om het dko grondig hervormen via een niveaudecreet, bleken zowel om budgettaire redenen als naar draagvlak onhaalbaar in de voorbije regeerperiode.

 

Als proactieve maatregel gingen in september 2012 pilootprojecten rond drie thema’s van start: de domeinoverschrijdende focus in de initiatieopleiding voor zes- en zevenjarigen, de wisselwerking en inhoudelijke afstemming tussen de verschillende componenten van de muziekopleiding in de lagere graad en de competentiegerichte evaluatie van leerlingen. De pilootprojecten zijn erin geslaagd om een tot dan toe vooral beleidsmatig discours te vertalen naar de klaspraktijk en mensen in het veld aan te sporen om verder na te denken over hun eigen werking en vanuit een vernieuwde inspiratie aan de slag te gaan. Daardoor is het draagvlak bij leerkrachten en directeurs voor de uitgangspunten gevoelig toegenomen.

 

Een belangrijke mijlpaal was de ontwikkeling van een studieprofiel kunstonderwijs en vervolgens de basiscompetenties voor de eerste en tweede graad die in juni 2013 werden afgerond. Deze einddoelen zorgden voor een tastbare concretisering van de inhoudelijke vernieuwing. Heel wat experten uit het dko en belanghebbenden (pedagogische begeleiders, leerkrachten, directeurs, academici en lerarenopleiders) waren in het ontwikkelproces  betrokken, waardoor de link met de dagelijkse praktijk nooit veraf was.

 

3.    Naar een niveaudecreet dko

 

  • Waarom?

 

 

Het dko is een unieke opleidingsvorm. Leerlingen van alle leeftijden kiezen er bewust voor om in hun vrije tijd, vaak bovenop en buiten de school- of werkuren, een kunstopleiding te volgen in de academie. Met recht en reden mogen we zeggen dat het dko een solide reputatie heeft in het organiseren van hoogkwalitatieve opleidingen. De gedrevenheid en artistieke expertise van leerkrachten en directeurs liggen aan de basis van dit succes.

 

Met het niveaudecreet willen we een driedubbele ambitie waarmaken: vereenvoudiging van de regelgeving, stevige verankering in Onderwijs en verbinding met de kunsten en het kleuter- en leerplichtonderwijs

 

Vereenvoudiging van de regelgeving

De huidige regelgeving voor het deeltijds kunstonderwijs is verspreid over verschillende decreten en besluiten. Een aantal aspecten zijn enkel in een omzendbrief geregeld. In de loop van 25 jaar zijn er heel wat ad hoc wijzigingen doorgevoerd waardoor de regelgeving nog maar weinig coherentie vertoont. Kenmerkend is ook de overregulering van bepaalde aspecten  en lacunes op andere vlakken. Bovendien is de regelgeving op heel wat vlakken erg complex.

 

We willen het dko voor het einde van deze legislatuur een coherente, transparante juridische basis geven die bovendien de planlast van academies en hun personeelsleden vermindert. In die zin past een dko-hervorming ook binnen de doelstellingen van Operatie Tarra, waarmee we planlast willen aanpakken en regelluwte creëren. We kiezen bewust voor sobere regelgeving die de onderwijsvrijheid van schoolbesturen niet dichttimmert met allerlei procedures en voorwaarden, maar die leerlingen en personeelsleden wel voldoende rechtszekerheid biedt.

 

Tegelijkertijd willen we het dko ook inhoudelijk moderniseren zodat het meer ruimte biedt aan de creativiteit van leerkrachten en beter aansluit bij de leerverwachtingen van leerlingen in de 21ste eeuw.

 

We geven nadrukkelijk meer ruimte op het organisatorische vlak. De Vlaamse Overheid heeft vertrouwen in de schoolbesturen, academies en directeurs en geeft hen dan ook verantwoordelijkheid. Dko is een sterk lokaal verhaal, dat optimaal werkt wanneer de lokale schoolbesturen de handen in elkaar slaan met de Vlaamse Overheid. Meer lokale autonomie impliceert dat de Vlaamse regelgever niet te detaillistisch reguleert.

 

Stevige verankering in Onderwijs

Dko is door de regelgever verankerd als een volwaardige onderwijsvorm, wat o.m. betekent dat de vrijheid van onderwijs (zoals vastgelegd in de Grondwet) er geldt. Toch kent het deeltijds kunstonderwijs tot op vandaag in tegenstelling tot bijvoorbeeld het basisonderwijs geen eigen niveaudecreet.

 

De erkenning als onderwijs impliceert ook dat de overheid een duidelijk kader ontwerpt over onder meer financiering(svoorwaarden) en oprichting van nieuw opleidingsaanbod en nieuwe structuuronderdelen (programmatie) (zie ook de opmerkingen van het Rekenhof en de Vlaamse Onderwijsraad hieromtrent). Ze zorgt er ook voor dat de Overheid het vrije initiatief om dko aan te bieden respecteert en zo weinig mogelijk inperkt. Het komt toe aan het Vlaams Parlement om de fundamentele aspecten van het onderwijs te regelen. Als er inperkende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld programmatievoorwaarden) dan moeten die afgewogen worden ten opzichte van het algemeen belang (bijvoorbeeld de Vlaamse begroting). De programmatiestop willen we vervangen door een regelgeving die academies weer ademruimte geeft en tegelijk de financiering ervan door de Vlaamse Overheid beheersbaar houdt en dus veilig stelt voor de toekomst.

 

De erkenning van dko als volwaardig onderwijs betekent ook dat leerlingen na het succesvol doorlopen van een leertraject een kwalificatie moeten kunnen behalen. De uitgereikte studiebewijzen moeten een ‘civiel effect’ hebben dat de leerlingen in hun latere activiteiten buiten het dko daar waar relevant kunnen inzetten.

 

Verbinding met de kunsten en het kleuter- en leerplichtonderwijs

Academies zijn allang geen ivoren torens meer. Voor het deeltijds kunstonderwijs zijn de evoluties in de kunsten, zowel de amateurkunsten als professionele kunsten van groot belang. We willen bewust op zoek gaan naar die synergie en de dialoog tussen het dko en deze sectoren aanmoedigen. Eigen aan de kunsten is dat het een heel divers en dynamisch veld is. Betrokkenheid op het artistieke veld brengt die dynamiek en diversiteit ook in de academies.

 

In het licht van het levenslang leren van kunstbeoefenaars liggen er in samenwerking en wederzijdse afstemming mooie kansen voor dko en kunstenorganisaties die inzetten op kunsteducatie. Met de amateurkunsten heeft het dko van nature een sterke band. De wisselwerking tussen amateurkunsten en dko willen we in het niveaudecreet expliciteren in zijn maatschappelijke opdracht en in de einddoelen.

 

Ten slotte onderstrepen we het verband tussen kunstonderwijs, cultuureducatie  en cultuurparticipatie. Ruimer dan dko alleen zien we cultuureducatie in het Onderwijs als een belangrijke hefboom. Onderwijs heeft een niet te onderschatten emancipatorische kracht op dat vlak, vooral voor kinderen en jongeren met een sociale achtergrond  die minder cultuur- en kunstminded is. Heel wat kinderen en jongeren ontdekken theater, literatuur en musea via de school. Naast leren over kunst moet onderwijs leerlingen vooral prikkelen en inspireren om zelf kunst te ontdekken. Leerkrachten in het kunstonderwijs zijn zelf kunstenaars en dus goed geplaatst om de vonk te laten overspringen.  Zij kunnen hun collega’s van basis- of secundair onderwijs inspireren en ondersteunen  op het vlak van muzische vorming en leerlingen op een laagdrempelige manier laten kennis maken met een kunstopleiding.

 

 

  • Inhoudelijke krachtlijnen

 

 

Het intensieve denkwerk dat een grote groep mensen uit het werkveld en de Vlaamse Overheid hebben geleverd in de voorbije legislaturen vormt een waardevol startpunt om het niveaudecreet vorm te geven.

 

Vertrekkend van het Vlaamse regeerakkoord en de beleidsnota Onderwijs 2014-2019 wil deze conceptnota een aantal inhoudelijke krachtlijnen naar voor schuiven. De beleidsnota zegt het volgende:

 

Kunst- en cultuur(educatie) beschouw ik als een essentieel onderdeel van het onderwijs. Ze zijn van wezenlijk belang voor de persoonlijke en sociale ontwikkeling van alle betrokkenen. Samen met mijn collega bevoegd voor Cultuur wil ik de synergie tussen de actoren uit onderwijs en cultuur blijven bevorderen, alsook werk maken van een actualisering van het deeltijds kunstonderwijs waarbij de link tussen het deeltijds kunstonderwijs en de amateurkunsten niet uit het oog wordt verloren. Ik zie de rol van de overheid vooral in het sensibiliseren en inspireren vanuit overleg en samenwerking met andere actoren zoals het leerplichtonderwijs, vrije tijdsactoren en lokale besturen. Hierbij moet er voldoende vrijheid zijn tot het opzetten van verschillende organisatievormen, leeromgevingen en alternatieve leercontexten. 

Kinderen, jongeren en volwassenen met een interesse en aanleg voor kunst moeten ook terecht kunnen in een deeltijds kunstonderwijs dat aansluit bij de kunstwereld en cultuurbeleving van de 21ste eeuw. In samenspraak met deskundigen uit de sector moderniseer ik de einddoelen. In nauw overleg met alle betrokken actoren maak ik werk van een niveaudecreet. Dit moet een vereenvoudigd en coherent juridisch kader bieden en schoolbesturen voldoende uitdagen om een eigen beleid te ontwikkelen.

Een van de sterktes van het huidige deeltijds kunstonderwijs is de goede regionale spreiding van de leslocaties. Toch zijn er tussen gemeentes onderling grote verschillen. Ik streef ernaar dat iedereen binnen een redelijke afstand een gepaste opleiding kan volgen. Tegelijk wil ik de samenwerking tussen de verschillende academies en de samenwerking met lokale culturele actoren, basis- en secundaire scholen in een regio stimuleren.

 

We willen in deze legislatuur op de eerste plaats een transparant en sober niveaudecreet voor het dko realiseren, dat voor alle betrokkenen een solide basis vormt om het kunstonderwijs vorm te geven. Om tot zo’n niveaudecreet te komen, schuiven we tien krachtlijnen naar voor:

  1. Een sober en helder niveaudecreet realiseren
  2. De einddoelen actualiseren en concretiseren
  3. De opleidingsstructuur actualiseren
  4. De onderwijsvrijheid respecteren door de programmatiestop op te heffen en te vervangen door een doelmatige  programmatieregelgeving
  5. De huidige budgettaire ruimte optimaler benutten
  6. Samenwerking met kleuter- en leerplichtonderwijs stimuleren
  7. Samenwerking met de lokale culturele actoren, amateurkunsten, kunsteducatieve organisaties en kunstinstellingen stimuleren
  8. Planlast aanpakken: verminderen van de bewijslast voor leerlingen en academies
  9. Planlast aanpakken: de geldstromen tussen Vlaamse Overheid en academies vereenvoudigen en reduceren
  10. Anticiperen op personeelsgevolgen

 

Niet alle ambities die leven bij leerkrachten en directeurs, hoe waardevol en terecht ze ook zijn, zullen in deze legislatuur gerealiseerd kunnen worden. Voorlopig komt enkel het huidige opleidingsaanbod terecht in de geactualiseerde opleidingsstructuur. De budgettaire ruimte ontbreekt om een domeinoverschrijdende muziek- en dramaopleiding voor 6- en 7-jarigen (1e graad)  of specifieke doorstroomopleidingen voor leerlingen die zich voorbereiden op hoger kunstonderwijs vanuit de Vlaamse Overheid te financieren. Dat doet niets af van de inhoudelijke waarde of maatschappelijke relevantie van zulke opleidingen, noch van de expertise die leerkrachten en pedagogische begeleiders in het pilootproject Kunstenbad hierin hebben opgebouwd. Schoolbesturen die de opleidingen met eigen middelen willen (blijven) organiseren, kunnen dat uiteraard blijven doen. Het niveaudecreet zal zo ontworpen worden dat deze opleidingen n een later stadium nog ingepast kunnen worden in de opleidingsstructuur.

 

Ook een extra beleidskader zal niet meteen gerealiseerd kunnen worden.. Dat we nu geen extra beleidsomkadering kunnen toekennen, betekent niet dat er geen maatregelen komen om de werk- en planlast voor directeurs en schoolbesturen terug te dringen. Het terugdringen van planlast past voor een stuk in de oefening van vereenvoudiging van de regelgeving (o.a. Operatie Tarra).

 

We bekijken de tien krachtlijnen van naderbij.

 

  • Een sober en helder niveaudecreet realiseren

 

De eerste prioriteit is het dko een eigen niveaudecreet geven, dat leerkrachten, directeurs en schoolbesturen tegelijkertijd duidelijkheid verschaft en ruimte geeft om hun leerlingen ook in de toekomst kwaliteitsvol kunstonderwijs te kunnen laten genieten.

 

Het niveaudecreet moet, in tegenstelling tot de huidige dko-regelgeving, coherent en transparant zijn en moet alle actoren rechtszekerheid bieden. Die doelstellingen impliceren een vereenvoudiging, een verduidelijking en een vernieuwing van de regelgeving. Een vereenvoudiging omdat de regelgeving nu zeer versnipperd is over verschillende teksten en omdat een aantal topics overdreven gedetailleerd geregeld zijn. Een verduidelijking omdat heel wat bepalingen verschillende interpretaties openlaten en er voor een aantal noodzakelijke aspecten weinig of zelfs helemaal niets bepaald is. Een vernieuwing omdat het huidige kader na een kwarteeuw ook inhoudelijk niet meer aansluit bij het hedendaags kunstonderwijs.

 

De volgende negen krachtlijnen vormen elk een deel van het verhaal van het niveaudecreet. Ook deze prioriteiten zullen dus doorspekt zijn van vereenvoudiging, verduidelijking en vernieuwing.

 

  • De einddoelen actualiseren

 

In tegenstelling tot andere onderwijsniveaus bestaan er voor het dko geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen. In 1990 bij de inwerkingtreding van de huidige regelgeving heeft de Vlaamse Overheid minimumleerplannen ontwikkeld. Niet alleen zijn de minimumleerplannen sterk verouderd, ze zijn ook onvolledig en weinig samenhangend. Daardoor kunnen ze niet meer als ijkpunt voor de onderwijskwaliteit dienen, met als gevolg dat leerkrachten ze niet als een stevig anker (kunnen) ervaren om hun praktijk op te enten en vorm te geven. De erkenning van het dko als volwaardig onderwijs impliceert nochtans dat ook de einddoelen ervan in regelgeving verankerd worden (zie ook het Rekenhof en de Vlaamse Onderwijsraad daarover).

 

Transparante einddoelen scheppen duidelijke verwachtingen, ook naar de leerlingen. Leerlingen weten welke competenties ze zullen verwerven. Eens afgestudeerd kunnen ze die competenties inzetten in verschillende contexten: de vrije tijd, het hoger (kunst)onderwijs of zelfs de arbeidsmarkt. Zelfs wie niet voor een artistiek beroep kiest, verwerft in het dko competenties die professioneel en in de vrije tijd relevant zijn.

Een coherent kader van einddoelen is essentieel om de kwaliteit en gelijkgerichtheid van het onderwijs veilig te stellen. Nieuwe doelen laten het dko aansluiten bij de actuele evolutie in de kunsten en de gewijzigde maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van het dko. De sterktes van het huidige dko worden behouden maar de ambities worden ruimer. Artistiek vakmanschap zal hand in hand gaan met een onderzoekende houding en durf tot innovatie en experiment.

 

We zien het dko van de toekomst als kwalificerend onderwijs waarin leerlingen via doelgerichte leertrajecten een afgerond geheel van maatschappelijk relevante artistieke competenties bereiken. De gerichtheid op amateurkunstbeoefening of een creatief beroep wordt explicieter. Dit zal de maatschappelijke positie van het dko versterken.

 

In 2012 hebben deskundigen van het hoger kunstonderwijs, het dko, het kunstsecundair onderwijs en de artistieke sector een studieprofiel kunstonderwijs ontwikkeld. Dit studieprofiel vormt de leidraad bij het ontwikkelen van de basiscompetenties voor de eerste, tweede en derde graad.

Het studieprofiel kunstonderwijs bestaat uit zes kerncompetenties:

  • individuele gedrevenheid tonen: de leerling vertrouwt op eigen expressiemogelijkheden en wil zijn creatieve resultaten tonen;
  • creëren en (drang tot) innoveren: de leerling komt actief en uit zichzelf met artistieke vormgevingen, benaderingen en inzichten;
  • vakdeskundigheid inzetten: de leerling zet verworven kunstvormspecifieke kwaliteiten in bij het gebruik van een artistieke uitdrukkingsvorm;
  • onderzoeken: de leerling analyseert, reflecteert en communiceert over proces en product;
  • relaties bouwen en samenwerken: de leerling kan eigen talent en deskundigheid ten dienste stellen van het gemeenschappelijk artistiek doel of project;
  • presenteren: de leerling toont proces en/of product aan een publiek.

Van belang is dat deze zes kerncompetenties vanaf de start het leerproces sturen en stap voor stap tot ontwikkeling komen, waarbij ze als tandwielen in mekaar grijpen: het ene wiel kan niet sneller draaien dan het andere, haperingen in het ene wiel hebben een invloed op het andere. We kiezen dus bewust voor geleidelijkheid en gelijkmatigheid.

De meeste leerlingen volgen dko om kunst te beoefenen in de vrije tijd. Daarnaast zijn er leerlingen die aan de slag gaan in een creatief artistiek beroep (bijvoorbeeld stadsbeiaardier, kunstambacht, juweelontwerper). Een kleine minderheid stroomt na het deeltijds kunstonderwijs door naar een vervolgopleiding in het hoger kunstonderwijs. Wat de leerlingen leren moet relevant zijn voor de context waarin ze na hun opleiding terechtkomen. Voor de opleidingen op het einde van het leertraject zullen de einddoelen bepaald worden door beroepskwalificaties.

 

Een beroepskwalificatie is een afgerond geheel van maatschappelijk relevante artistieke competenties (amateurkunsten, ambachten, artistieke beroepen). De beroepskwalificaties worden ontwikkeld door de sector waarin de afgestudeerden terecht komen. Voor het dko zijn dat socio-culturele sector (o.a. de amateurkunsten), de sectorfondsen en de beroepsfederaties die de artistieke beroepsbeoefenaars vertegenwoordigen. Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (AHOVOKS) zal dit proces begeleiden.

 

In het licht van kunstbeoefening in de vrije tijd komt het wat eigenaardig over om van een ‘beroep’ te spreken. Hoewel een aantal opleidingen wel degelijk een arbeidsmarktgerichte finaliteit hebben (bv. kunstambachten, beiaard), is een amateurkunstenaar natuurlijk geen ‘beroep’ in de gangbare betekenis van het woord. In dit geval verwijst ‘beroep’ naar de maatschappelijke rol die iemand opneemt. Een beroepskwalificatie is dan het geheel van competenties om die maatschappelijke rol te vervullen.

 

De nieuwe einddoelen vormen voor leerplanmakers een hefboom om heldere en gebruiksvriendelijke leerplannen te ontwikkelen, waarmee de leerkrachten in de klas aan de slag kunnen om vanuit hun eigen inspiratie hun lessen mee vorm te geven en waarop academies hun pedagogisch-artistiek project kunnen enten. De inspectie kan zich beroepen op een duidelijk referentiekader om de kwaliteit van opleidingen en leercontexten te beoordelen.

 

  • De opleidingsstructuur actualiseren

 

Met het oog op competentiegericht onderwijs willen we tot één coherente, logisch opgebouwde opleidingsstructuur komen die zowel beeldende kunst als podiumkunsten op het lijf geschreven is.  Het niveaudecreet zal de opleidingsstructuur afstemmen op de competentiegerichte benadering in de einddoelen.

 

We willen een opleidingsstructuur waarmee academies kunnen inspelen op nieuwe maatschappelijke evoluties, o.a. de evolutie van de kunsten: mediakunst, interdisciplinariteit, maar ook de flexibelere tijdsinvestering en –organisatie van mensen in de vrije tijd. Ontwikkelingen die zich in het hele Vlaamse onderwijs voordoen willen we ook vertalen naar het dko. Ten slotte moet de regelgeving ruimte en autonomie geven aan opleidingsverstrekkers (leerplanmakers en academies) om de opleidingenarchitectuur (indeling in vakken) binnen bepaalde kaders zelf vorm te geven (bijvoorbeeld bij het samenstellen van het lessenrooster).

 

We willen tegelijk de regelgeving vereenvoudigen en versoberen. De tweedeling in verschillende uitvoeringsbesluiten voor podiumkunsten vs. beeldende kunsten leidt tot een complexe regelgeving met veel dubbele en (gedeeltelijk) overlappende bepalingen.

In sommige gevallen komt de huidige structuurindeling niet overeen met de inhoud en het niveau van de opleidingen (bijvoorbeeld de middelbare graad beeldende kunst is een eindniveau voor jongeren, de hogere graad beeldende kunst een beginnersniveau voor volwassenen). Ook in die gevallen willen we de graduele opbouw van leertrajecten beter zijn weerslag laten vinden in de structuur, zodat die opbouw voor de leerlingen en leerkrachten duidelijk en transparant is.

 

De aanpassingen van de regelgeving die in het verleden zijn ingebouwd, zonder het geheel in vraag te stellen en te herbekijken, hebben geleid tot vrij versnipperde en weinig coherente regelgeving, waarin mensen uit werkveld maar moeilijk hun weg vinden.

Voor de opleidingen die buiten de organieke structuur bevinden, willen we bekijken of ze kunnen opgenomen worden in de nieuwe opleidingsstructuur.

 

Voor de nieuwe opleidingsstructuur  vertrekken we niet van een blanco blad. We willen behouden wat goed is en waar mogelijk aansluiten bij de huidige opbouw van de leertrajecten, zodat het geheel voor leerlingen en leerkrachten herkenbaar blijft (een bezorgdheid die ook de Vlaams Onderwijsraad geformuleerd heeft[6]).

 

De brede, competentiegerichte ontwikkeling die in de einddoelen vervat zit, manifesteert zich inhoudelijk in de opbouw van de leertrajecten. Een leertraject vertrekt vanuit een brede basis waarbij artistieke initiatie en oriëntatie in het brede spectrum van de kunstbeoefening centraal staan. Gaandeweg komt meer ruimte voor specialisatie. Net als vandaag zullen gevorderde leerlingen kunnen kiezen uit  een waaier aan opleidingen en keuzemogelijkheden in die opleidingen (cf. huidige opties). Op die manier voltrekt zich doorheen het leerproces een logisch opgebouwd en gericht zoekproces naar de eigenheid en het talent van de leerling.

 

De geactualiseerde opleidingsstructuur zal vijf domeinen (beeld, dans, drama, mediakunst en muziek) en vier graden omvatten. In de derde  en vierde graad  worden domeinen verder ingedeeld in verschillende opleidingen. Binnen de opleidingen zijn er nog verschillende keuzemogelijkheden.

 

Opleidingen bevinden zich in één welbepaalde graad. Opleidingen die inhoudelijk op elkaar aansluiten vormen een leertraject. Elke leerling met een minimale instapleeftijd van zes jaar kan starten met beeld of dans. Vanaf acht jaar kan hij ook starten met drama, mediakunst of muziek. Afhankelijk van de ‘rugzak’ met competenties waarmee hij aankomt in het dko, start hij in de meest aangewezen graad. Als hij een graad succesvol heeft afgerond, behaalt de leerling een certificaat. Op het einde van het leertraject verwerft de leerling een beroepskwalificatie.

 

  • De onderwijsvrijheid respecteren door de programmatiestop op te heffen en te vervangen door een doelmatige  programmatieregelgeving

 

De Vlaamse Overheid erkent deeltijds kunstonderwijs expliciet als onderwijs. Dat betekent dat de vrijheid van onderwijs, zoals geformuleerd in de Grondwet, ook voor het dko geldt. De vrijheid van onderwijs garandeert aan schoolbesturen dat zij, onder bepaalde voorwaarden, dko kunnen aanbieden en hier subsidiëring voor kunnen krijgen.

 

Kenmerkend voor het dko is de belangrijke rol van lokale besturen. Steden en gemeenten zijn in 91% van de gevallen het schoolbestuur van de academie en de meeste van hen investeren ook extra middelen (o.a. voor infrastructuur) en personeel in het dko, bovenop de middelen die de Vlaamse Gemeenschap toekent. Ook het GO! en het KOV doen extra inspanningen.

 

Tussen gemeenten onderling zijn er sterke verschillen in het opleidingsaanbod. In sommige gemeenten vindt men een veelzijdig aanbod zowel voor jongeren als volwassenen. Daarnaast zijn er gemeenten met een gelijkaardig morfologisch of functioneel profiel met geen of een zeer beperkt aanbod.

 

Een strikte programmatieregelgeving in combinatie met een programmatiestop laat de oprichting van nieuwe leslocaties of de vernieuwing van het opleidingsaanbod slechts in zeer beperkte mate toe. De programmatiestop, weliswaar met afwijkingen, perkte gedurende de laatste 4 schooljaren de opvulmogelijkheden van blinde vlekken verder in. De programmatiestop blijven handhaven zou een conflict genereren met de onderwijsvrijheid en maakt het aanbieders heel erg moeilijk om een dynamisch beleid te voeren voor wat het opleidingsaanbod betreft. Het is dus zowel om juridische als inhoudelijke redenen aangewezen om de programmatiestop op te heffen en te vervangen door een nieuwe programmatieregelgeving die tegelijk ruimte en duidelijkheid schept.

 

Door de schoolbesturen meer beleidsruimte te geven op het vlak van de organisatie van het landschap wil de Vlaamse Overheid inspanningen die schoolbesturen leveren voor het dko meer honoreren. Bovendien kunnen lokale besturen korter op de bal spelen: ze kunnen opportuniteiten op vlak van infrastructuur beter benutten (bijvoorbeeld multifunctionele infrastructuur) of inspelen op wijzigingen in de leerlingenstromen (gewijzigde instroom en uitstroom van leerlingen in specifieke opleidingen, leeftijdscategorieën, doelgroepen, … ten gevolge van verschillende factoren of bijvoorbeeld de bouw van een nieuwe wijk met vele jonge gezinnen).

 

De mate waarin de Vlaamse Overheid sterk de organisatie van het werkingsgebied van een academie mee bepaalt (welke opleidingen biedt een academie waar aan) willen we aanzienlijk  terugschroeven. Daar staat tegenover dat er mechanismes gevonden moeten worden om de groei van het dko op macroniveau, over alle academies heen bekeken, budgettair beheersbaar te houden. Op die manier kan er meer ruimte ontstaan voor lokale autonomie en kunnen gemeenten met een onvolledig aanbod een inhaalbeweging maken, maar vermijden we een budgettaire ontsporing.

 

  • De huidige budgettaire ruimte optimaler benutten

 

De kunsten en dus ook het kunstonderwijs worden alsmaar meer maatschappelijk relevant. Het is evident dat de Vlaamse maar ook lokale overheden er financiële middelen in investeren. Door de huidige financieel-economische situatie staat de investeringsruimte van zowel centrale als lokale besturen echter onder druk en worden zij gedwongen keuzes te maken en in te zetten op een zo efficiënt mogelijke inzet van de beschikbare middelen.

 

Binnen het huidige budgettair kader van het dko (lonen en werkingsmiddelen met inbegrip van de tijdelijke projecten en de pilootprojecten) kunnen een aantal middelen efficiënter benut worden. Door een aantal financieringsmiddelen om te buigen en middelen te verschuiven, komt er ruimte voor het invullen van blinde vlekken en de actualisering van het opleidingsaanbod.

 

We willen bekijken of schoolbesturen (een deel van) hun omkadering flexibeler kunnen inzetten. Op dit moment kunnen we nog niet ingaan op de concrete, precieze financieringsmechanismen. In de loop van het beleidsvoorbereidende proces zullen die mechanismen vorm moeten krijgen en onderzoeken we hoe en welke financieringsmechanismen tegemoet kunnen komen aan de vraag naar meer autonomie in de organisatie van DKO.

 

Het deeltijds kunstonderwijs wordt voor het overgrote deel gefinancierd met publieke middelen, Vlaamse maar ook lokale. De bijdrage van de leerling in de vorm van het inschrijvingsgeld bedraagt 8,2 % van de totale kosten voor de Vlaamse Overheid. De hoogte van de inschrijvingsgelden houden we deze legislatuur ongewijzigd. Verder onderzoek naar een toekomstig billijk evenwicht   in het bepalen van de verhouding van het publieke en private aandeel in de kosten van DKO wordt gevoerd.

 

  • Samenwerking met kleuter- en leerplichtonderwijs structureel verankeren

 

Heel wat kinderen en jongeren vinden vandaag de weg naar het dko niet omdat zij in een socio-economisch milieu leven waar deelname aan het dko geen evidentie is. Nochtans kan een dko-opleiding voor velen onder hen zinvol zijn, niet enkel als hobby, maar ook als hefboom voor een hoger welbevinden en een betere integratie in de maatschappij. Daarnaast zijn heel wat scholen van kleuter- en leerplichtonderwijs vragende partij voor ondersteuning op het vlak van kunst- en cultuureducatie door artistieke professionals. Het voor de hand liggende partnerschap tussen academies en hun naburige scholen willen we dan ook structureel verankeren. Zo erkent de Vlaamse Overheid het engagement dat heel wat academies en lokale besturen op dat vlak nemen. Academies zullen hun maatschappelijke relevantie kunnen versterken, doordat ze (de talenten van) kinderen en jongeren die anders weinig of niet in contact komen met kunst en cultuur toch op een laagdrempelige maar kwaliteitsvolle manier kunnen aanspreken. De artistiek-pedagogische expertise van de leerkrachten zal ten goede komen aan een ruimere groep kinderen en jongeren.

 

Zowel voor de scholen als academies betekent samenwerking met de naaste buren een win-win. Professionaliseringinitiatieven voor leerkrachten kunnen in de school of naburige academie plaatsvinden. Omgekeerd is het voor academies interessant voet aan de grond te krijgen in de scholen van hun rekruteringsgebied, dit met het oog op toeleiding en doorstroom van leerlingen en inhoudelijke afstemming. Maar ook het uitwisselen en delen van infrastructuur kan  win-wins creëren. Multifunctionele schoolinfrastructuur is niet alleen kostenefficiënter maar levert ook het voordeel van noodzakelijke interactie tussen dko en het kleuter- en leerplichtonderwijs op.

 

Lokale verankering van de samenwerking tussen academies en scholen is een belangrijk uitgangspunt. Top-down deze samenwerking opleggen, garandeert geen win-winsituatie. Verschillende vormen van samenwerking moeten kunnen groeien op vrijwillige basis onder impuls van de lokale schoolbesturen en andere actoren.

 

  • Samenwerking met de lokale culturele actoren, amateurkunsten, kunsteducatieve organisaties en kunstinstellingen stimuleren

 

Meer dan 95% van de dko-leerlingen beoogt geen vervolgopleiding in het hoger kunstonderwijs. De belangrijkste maatschappelijke finaliteit van het dko is dus kunstbeoefening in de vrije tijd. Het dko draagt bij tot de persoonlijke ontwikkeling van het individu (levenslange kunstbeoefening), maar is ook van belang voor de amateurkunstverenigingen. Kwaliteitsvolle en hedendaagse opleidingen dragen rechtstreeks bij tot de kwaliteitsbevordering en dynamiek in deze sector. De wisselwerking met de lokale amateurkunsten (zowel georganiseerd als projectmatig als individueel) moet voor alle academies een vanzelfsprekend gegeven worden. Daarbij denken we verder dan toeleiding van dko-afgestudeerden naar de amateurkunstverenigingen. Tieners en volwassenen zijn vaak al als amateurkunstenaar aan de slag voor of terwijl ze naar de academie komen.

 

Ook interactie met andere aanbieders van kunstopleidingen in de socio-culturele en kunsteducatieve sector vinden we een interessant denkspoor. In samenspraak met de minister van Cultuur willen we opleidingsverstrekkers in de verschillende beleidsdomeinen stimuleren om elkaar te ontdekken als complementaire partners.

 

  • Planlast aanpakken: verminderen van de bewijslast voor leerlingen en academies

 

We willen dat alle leerlingen die recht hebben op een verminderd tarief voor het inschrijvingsgeld ook effectief het verminderde tarief betalen. Daarom moet de bewijslast om van het verminderd tarief voor inschrijvingsgeld te kunnen genieten, zo weinig mogelijk bij de leerling liggen. Op die manier verminderen we de administratieve last voor de leerling. We bekijken ook in hoeverre we de administratieve last voor de academies kunnen verlichten. Daarom bekijken we hoe we naar een meer automatische bewijsvoering kunnen evolueren.

 

Zonder het aantal rechthebbenden uit te breiden, willen we de kortingscategorieën onder de loep nemen met het oog op het verder terugdringen van de bewijslast.  De Vlaamse Overheid detecteert zelf zoveel mogelijk de rechten van een leerling zonder dat die zelf actie moet ondernemen (zich verplaatsen, formulieren invullen, …). We maken ook zoveel mogelijk gebruik van bestaande attesten die geldig zijn in andere levensdomeinen.

 

  • Planlast aanpakken: de geldstromen tussen Vlaamse Overheid en academies vereenvoudigen en reduceren

 

Voor academies, schoolbesturen en Vlaamse Overheid leidt de inning van het inschrijvingsgeld tot complexe en tijdrovende administratieve processen. De academies innen het inschrijvingsgeld en storten het door naar het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming in de maand november. De inschrijvingsgelden komen terecht in een fonds toegewezen ontvangsten waarmee het volgende schooljaar een deel van de lonen van het dko-personeel betaald worden.

 

Een belangrijk nadeel van de huidige werkwijze is het uitgebreide en versplinterde betalingsverkeer tussen academies en de Vlaamse Overheid,  in een betaalperiode die in de praktijk loopt van 15 november tot 15 april. Op 15 november storten alle academies het inschrijvingsgeld door dat berekend is op hun niet geverifieerd leerlingenbestand. Het nadien verifiëren van alle leerlingen geeft aanleiding tot heel wat correcties, zodat in ongeveer de helft van de gevallen de academies nog een klein saldo moeten bijbetalen (of terugkrijgen) na afsluiting van het verificatieproces op 1 februari.

 

We willen onderzoeken hoe we de geldstromen tussen de Vlaamse Overheid en academies kunnen vereenvoudigen en reduceren.

 

  • Anticiperen  op personeelsgevolgen

 

Het personeel van het dko behoort ten volle tot het onderwijspersoneel. In de gesprekken omtrent het loopbaandebat zal het personeel van het dko dan ook meegenomen worden. Vernieuwingen inzake personeelsbeleid die in het loopbaandebat afgesproken worden, willen we ook in het dko invoeren. Naarmate het loopbaandebat tot nieuwe principes leidt (bv. inzake verlofregeling), moeten die ook in dko ingepast worden. Daar willen we in deze nota inhoudelijk niet op vooruit lopen.

 

Het invoeren van een geactualiseerde opleidingsstructuur heeft onvermijdelijk een impact op het personeel en moet voor een vlotte overgang begeleid worden met enkele maatregelen.

 

Er zal een koppeling gelegd moeten worden tussen de nieuwe opleidingsonderdelen en de vakken van de opleidingen die er de voorloper van waren. Voor de leerkrachten zullen die concordanties zorgen voor een naadloze overgang naar hun plek in de nieuwe structuur. De onderwijsbevoegdheid van de leraars wordt bepaald per opleidingsonderdeel en waar nodig per specialiteit daarbinnen. Het dko blijft nauw verbonden met het hoger kunstonderwijs, waar de kunstenaar-leraars opgeleid worden die het dko waarmaken. De wisselwerking tussen de beide onderwijsniveaus willen we ook verder stimuleren.

 

 

Verschuivingen van opleidingen in de opleidingsstructuur kunnen personeelsgevolgen hebben. Hier zullen we zorgzaam mee omgaan, met aandacht voor de menselijke maar ook budgettaire gevolgen. De nieuwe opleidingsstructuur, die eerder voorbereid werd en nog verder op punt gezet wordt, vormt het uitgangspunt voor de begeleidende personeelsmaatregelen. Vergelijking met de huidige opleidingsstructuur moet een beeld opleveren van de verschuivingen.

 

 

Plan van aanpak en timing

 

Heel wat mensen uit het werkveld hebben in de voorbije legislatuur feedback gegeven op de initiële concepten. Met die verfijningen en bijsturingen willen we zoveel mogelijk rekening houden (onder meer de adviezen van de VLOR). Ook in deze legislatuur willen we met deskundigen uit het werkveld in dialoog te gaan. Het uiteindelijke niveaudecreet  zal altijd een evenwichtsoefening blijven tussen verschillende verwachtingen en belangen.

 

De weg naar een niveaudecreet verloopt grosso modo in vier fases:

 

  1. Beleidsvoorbereiding: het vormgeven en afstemmen van het concept tot het klaar is om in regelgeving te gieten
  2. Regelgevend proces: het schrijven van de decreetstekst en de uitvoeringsbesluiten en de regelgevende cyclus die de teksten moeten doorlopen voor de definitieve goedkeuring door het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering
  3. Toelichting aan het veld: het veld voorbereiden op de veranderingen die op hun afkomen
  4. Inwerkingtreding: het moment waarop het dko effectief begint te werken volgens de nieuwe regelgeving

 

Deze conceptnota is geen eindpunt. Verschillende aspecten zullen in het beleidsvoorbereidende proces verder uitgewerkt moeten worden. Voor heel wat vragen die ongetwijfeld zullen rijzen, hebben we op dit moment nog geen pasklare oplossingen. De beperkte budgettaire ruimte van de Vlaamse Overheid plaatst ons voor een bijkomende uitdaging. We willen ons inzetten om in dialoog met de sector binnen een aantal inhoudelijke contouren en budgettaire krijtlijnen tot een helder en sober niveaudecreet te komen dat academies echt vooruit helpt en dit uniek en gewaardeerd onderwijsniveau versterkt en veilig stelt voor de toekomst. In december 2016 zou een voorontwerp van Decreet klaar moeten zijn. In april 2017 zou dit voor een principiële goedkeuring naar de VlaReg kunnen. De inwerkingtreding is dus voorzien op 1/9/2018.

Deze conceptnota heeft niet de ambitie om prognoses te maken over de financiële gevolgen van bepaalde beleidskeuzes en houdt dus ook geen budgettaire engagementen in.

[1] Winner, E., Goldstein, T., Vincent-Lancrin, S., Art for art’s sake. Overview, OECD Publishing, 2013

[2] Advies over de conceptnota inhoudelijke vernieuwing deeltijds kunstonderwijs, Vlaamse Onderwijsraad, 10 mei 2011 en Advies over de discussietekst hervorming dko 2de nota, Vlaamse Onderwijsraad, 18 december 2012

[3] Verdieping/Verbreding – Perspectieven voor inhoudelijke vernieuwing van het deeltijds kunstonderwijs,, Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, december 2008.

[4] Smet, Pascal, Kunst Verandert! – Inhoudelijke vernieuwing deeltijds kunstonderwijs – Conceptnota, Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, maart 2011.

[5] Smet, Pascal, Discussietekst Inhoudelijke vernieuwing deeltijds kunstonderwijs – 2de nota, Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, oktober 2012.

[6] Advies over de conceptnota inhoudelijke vernieuwing deeltijds kunstonderwijs, Vlaamse Onderwijsraad, 10 mei 2011

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vul a.u.b. de uitkomst in: * Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.