Antwerp HeArts helpt kunstenaars met gezondheidsklachten.

Antwerp-HeArts_NLInterview door Katelijne Lanneau en Ophelia Van Keer

Zowel professionele kunstenaars als liefhebbers kunnen een beroep doen op Antwerp HeArts. Het centrum werd gelanceerd maandag 12 september 2016, is opgericht door het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA) en de Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Antwerpen en heeft de sympathie van Opera Ballet Vlaanderen, Jan Fabre, deFilharmonie, het Toneelhuis en de Antwerpse schools of arts. LeVeDKO sprak met Dokter Dooms en Professor Nathalie Roussel. Twee topvrouwen met een warm hart voor de kunstenaar.

Dr. Dooms, arbeidsgeneesheer en kunstliefhebber, stelde vast dat de kunstensector het vergeten deel is in de arbeidsgeneeskunde. Terwijl er toch wel veel problemen zijn. Dit wakkerde haar interesse. Daarom volgde ze de opleiding ‘Médicine des Arts’ in Frankrijk.

Prof. Roussel is docent REVAKI en Kinesitherapeut. Ze twijfelde 20 jaar geleden tussen geneeskunde studeren of naar het conservatori- um gaan. Ze zong toen in het kathedraalkoor en speelde dwarsfluit. Uiteindelijk koos ze voor geen van beiden, maar voor kinesitherapie. Het aspect beweging interesseerde haar ook. Na haar studies kreeg ze de kans om in onderzoek verder te gaan. Lage rugpijn bij dansers is het eerste wat ze onderzocht. Prof. Roussel vond het vreemd dat dansers zo veel last hebben van lage rugpijn ondanks ze toch wel een goede controle van beweging hebben. Via het onderzoeksluik kwam ze in contact met dansers en later met muzikanten aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Nadien werkte ze samen met o.a. Jan Fabre en de Filharmonie.

Hoe ontstond de idee om Antwerp HeArts op te richten?

Er was een grote nood aan het oprichten van zo’n expertisecentrum. In de sport is het ondenkbaar dat een arts die zich volledig heeft toegelegd op voetbal plotseling met schaatsers of ijshockey gaat werken. Het is heel normaal dat je als sportclub terecht kan bij iemand die ervaring heeft met de desbetreffende sporttak. Maar in de kunst is het nog steeds de gewoonte dat men naar een algemene praktijk gaat en verwacht men van de geneesheer dat hij weet wat te doen. De interesse was er om vanuit medisch en paramedisch standpunt te gaan kijken waarom dansers en muzikanten zo veel klachten hebben en vooral wat we kunnen doen ter preventie. Kinesitherapie is een belangrijk onderdeel, maar ook huisartsen en andere medische specialisten, zoals logopedisten en psychologen vormen een onderdeel. De idee ontstond om een expertisecentrum op te richten dat zich voornamelijk naar kunstenaars kan toespitsen.

Hoe hebben jullie elkaar gevonden?

Prof. Roussel: Antwerp HeArts is ontstaan uit de samenwerking tussen de Universiteit Antwerpen en het Universitaire ziekenhuis. Prof. Dr. Paul Van Royen, Prof. Dr. Jan Gielen en ik zijn de drie initiatiefnemers.

Onze decaan Prof. Dr. Paul Van Royen is huisarts en amateurmusicus, zijn broer is violist. In zijn praktijk wordt hij vaak geconfronteerd met musici die op vrijdagavond die langskomen met een probleem, dikwijls kort voor een optreden. Hij was dus intrinsiek geïnteresseerd, zowel vanuit het artistieke als vanuit het medische luik.

Prof. Dr. Jan Gielen, Coördinator SPORTS, UZA Radioloog, heeft zijn werk in het ziekenhuis uitgebreid tot diensthoofd van een multidisciplinair centrum voor sporters, maar is eigenlijk vooral geïnteresseerd in de kunst. Met hem werkten we samen met de performers van Jan Fabre. Hij was bereid zijn centrum ten dienste te stellen van het klinische werk bij kunstenaars. Hij heeft ervaring met het groeperen van ver- schillende disciplines op één plaats en met het doorsturen in functie van het probleem.

We zijn dus met drie gestart en we hebben Dr. Dooms gevraagd om de consultaties te doen. Daarna hebben we het team aan- gevuld met contactpersonen zowel in het ziekenhuis als daarbuiten. We hebben een uitgebreide rondvraag gedaan bij kinesitherapeuten, psychologen, logopedisten, huisartsen, orthopedisten enzovoort die zich bezighouden met kunstenaars. Zo kunnen we patiënten gericht doorverwijzen. Je moet dus het centrum beschouwen als een combinatie van zowel een fysiek centrum patiënten kunnen hier effectief terecht als van een soort netwerk. Wanneer iemand een specifiek probleem heeft, bijvoorbeeld een schouder-probleem, zal Dr. Dooms de persoon door-verwijzen naar kinesitherapeuten die een expertise hierin hebben opgebouwd.

Jullie zorgen dus voor verbinding met de juiste mensen?

Prof. Roussel: Inderdaad. In de eerste plaats is een goede diagnose belangrijk. Het is niet de bedoeling dat alle patiënten in het UZA worden behandeld, wel dat ze met een goede diagnose doorverwezen worden in ons netwerk. Belangrijk is ook te bepalen wat er nodig zal zijn: is er verdere medische beeldvorming nodig, kinesitherapie, voedings- en dieetleer enzovoort? Om die reden is het centrum ook iets plastisch, het is geen vaste structuur met een paar mensen die we hebben ingeschakeld, maar het is iets heel flexibel.

Er is een centraal telefoonnummer. De telefonist is getraind om aan de hand van een telefoongesprek een triage te maken. Kan dit niet op basis van het telefoongesprek, dan wordt die persoon teruggestuurd naar de huisarts om te bekijken welke nuttige informatie de huisarts kan meegeven. Is het heel acuut dan wordt die persoon natuurlijk naar spoed doorverwezen. Maar is het niet zo acuut, kan die persoon door één van onze artsen gezien worden. Waarom geen gebruik maken van de expertise in de omliggende regio’s? We hebben geopteerd om de doelgroep kunstenaars voorop te stellen en ons niet de specifiëren rond één pathologie, bijvoorbeeld lage rugpijn. We zijn geen experten in neus, keel en oor, maar we hebben die wel 20 meter verder. We hebben dus gekozen voor één doelgroep en één centraal telefoonnummer, maar dit verbonden aan een heel breed netwerk.

Dr. Dooms: We moeten niet alles vanaf de grond opbouwen. We kunnen gebruik maken van wat er al is. Dat is luxe. Tot nu toe bestaat ons netwerk vooral uit mensen vanuit het Antwerpse. Het zou wel leuk zijn om dit te kunnen uitbreiden naar andere regio’s.

Prof. Roussel: Vanuit het multidisciplinaire centrum voor de sport was er al heel wat expertise voorhanden. De dansers stuurden we daar naartoe. Voor de muzikanten en beeldende kunstenaars was er nog niets voorhanden, hiervoor hebben we extra expertise aangetrokken. Daarnaast hebben we de verschillende disciplines gevraagd om in hun werkveld te gaan nakijken wie er welke expertise heeft. Ik heb dit gedaan voor de kinesitherapie en voor de huisartsen. Zo hebben we lijsten opgesteld. We trachten ons niet te beperken tot eigen contacten. Er zijn vele mensen met expertise en het zou dom zijn om hier geen gebruik van te maken. Onze bedoeling is om kwaliteit te bieden in de zorg.

We voorzien ook regelmatig bijscholingen. Zo komt er binnenkort iemand spreken over het Fonds der beroepsziekten. Dit omdat ook vanuit de kunstwereld aanvragen kunnen gedaan worden om klachten of pijn als beroepsziekte te laten nakijken. Dit heeft financieel ook een aantal voordelen. Deze kennis verspreiden we via de kanalen van de universiteit, het UZA en onze eigen netwerken.

Ook in het kunstonderwijs zijn er regelmatig leerkrachten met fysieke klachten die hierdoor een tijdje out zijn. Het blijkt vaak taboe.

Prof. Roussel: Dat is onmiddellijk het grote verschil met de sport: daar is dit totaal geen probleem. Het enige wat we hierop kunnen zeggen is: hoe sneller je met een klacht geholpen wordt, hoe gunstiger de evolutie. Hoe langer je wacht, hoe groter de kans op chronische problemen en hoe moeilijker de revalidatie. Het is een voordeel dat we een onafhankelijk centrum zijn. We hebben geen rechtstreekse link met kunsthuizen. Discretie is verzekerd. Het is wel zo dat een aantal mensen zich niet openlijk wil affiliëren met het expertisecentrum omdat ze schrik hebben voor een negatieve invloed op hun carrière indien ze voor hun klachten zouden uitkomen. De taboesfeer is er nog altijd.

Dr. Dooms: Hoe meer erover geschreven en gepraat wordt, hoe beter. Aan vele klachten is er immers veel te doen. Het grootste probleem is dat kunstenaars gewoon met hun klachten blijven lopen.

Prof. Roussel: Hoe sneller je gaat naar iemand met kennis van zaken, hoe sneller je ervan af kan geraken. Er wordt vaak te lang gewacht of men zwerft tussen verschillende zorgverstrekkers waarvan men via via gehoord heeft dat die misschien iets heeft kunnen betekenen voor een buur… Vanuit het expertisecentrum willen we de mensen bij de juiste personen brengen. We hopen dat er sneller contact genomen wordt met de hulpverlening, al is het maar bij de eigen huisarts. De stap moet sneller gezet worden:’ ik heb een probleem, ik kan niet functioneren op niveau, ik ga hulp zoeken en die persoon gaat me zeggen wat ik moet doen of bij wie ik juist moet zijn’. Dat is de bedoeling. Je moet daarom niet aan de grote klok hangen dat je bijvoorbeeld schouder- of nekproblemen hebt. Sneller hulp zoeken kan al heel effectief zijn.

Kunnen kunstenaars zelf bellen naar het telefoonnummer of moet men doorverwezen worden via de huisarts?

Prof. Roussel: Het was onze bedoeling om een gebruiksvriendelijk systeem te hebben door het te centraliseren. Vandaar de combinatie van één fysieke locatie met één centraal telefoonnummer met daar-opvolgend een soort van ‘dispatching’. Dit om het heel overzichtelijk te houden.

De personen die de intakegesprekken doen aan de telefoon zijn hiervoor heel specifiek opgeleid en getraind op het doorsturen. Bijvoorbeeld iemand met verminderd gehoor: indien door geluidsoverlast moet die persoon naar spoed en heel snel behandeld worden. Is er sprake van een virale infectie met oorontsteking is het niet nodig om binnen de 24u gezien te worden door een neus- keel- en oorspecialist want dit is iets wat een huisarts zal kunnen nakijken.

Kunnen jullie een voorbeeld schetsen van een traject dat een danser met geblokkeerde schouder in jullie centrum zou doorlopen?

Prof. Roussel: Bij een danser met schouderpijn moet eerst nagegaan worden of verdere medische beeld- vorming nodig is. De orthopedist van het centrum kan bekijken of dit nodig is en hier verder advies in geven. In het geval van iemand die al heel lang schouderpijn heeft bij het musiceren maar nog altijd verder kan musiceren mits hinder, zal men die doorverwijzen naar Dr. Dooms. Zij zal vragen om het instrument mee te nemen op consultatie.

Dr. Dooms: Het meebrengen van het instrument is dan inderdaad noodzakelijk. Ik bekijk dan ook in de consultatie hoe ze hun instrumenten bespelen. Natuurlijk is dit enkel een screening, men ziet
enkel de houding bij mij in de consultatie. Een houding tijdens een concert kan totaal anders zijn. Zien we al fouten in de screening kan ik hen al heel gericht doorverwijzen. Aan dansers vragen we om hun dans-schoenen mee te brengen.
Prof. Roussel: Dit kan zijn naar de kinesitherapie, voor bijvoorbeeld spiertraining. Of het kan zijn naar een andere specialisatie. Wanneer sprake is van uitstraling van de pijn of tintelingen in de arm kan Dr. Dooms bepalen dat verder neurologisch onderzoek nodig is en wordt de patiënt doorgestuurd met specifieke verwijsbrief. Het traject is dus sterk afhankelijk van het probleem.
Jullie doen dus de screening en verwijzen door. Volgen jullie de patiënten ook verder op?
Dr. Dooms: Dat is de bedoeling. We zijn natuurlijk nog maar pas gestart, afgelopen september. We moeten nog bekijken hoe dit evolueert. Het kan zijn dat patiënten goed geholpen zijn op een bepaalde plek en daar dus blijven. Er wordt uiteraard altijd gevraagd om een verslag te schrijven naar het expertisecentrum.

Prof. Roussel: Bij de opstart van zo’n expertisecentrum moet je een aantal beslissingen nemen in verschillende fases. We zijn van plan, en dat zal ook mijn rol zijn, om de kwaliteit van de zorg achteraf te evalueren. Wanneer patiënten hier komen, zouden we de vraag kunnen stellen: mogen wij u binnen 6 weken opnieuw contacteren of binnen 3 maanden en u bevragen over wat er gebeurd is. Dit is echter iets wat je niet kan doen in een opstartfase. In een opstartfase moet je je energie steken in het bevorderen van contacten, ervoor zorgen dat de communicatie tussen de verschillende hulpverleners goed verloopt, dat er een goede communicatie is naar de patiënt. In een tweede fase wanneer we meer routinematig bezig zijn, dan kunnen we evalueren hoe de communicatie gebeurd is

met de patiënt, zijn huisarts en dergelijke.

Het is belangrijk om niet te lang te wachten. Maar wat is ‘niet te lang wachten’?
Prof. Roussel: Wanneer je klachten hebt die interfereren met je artistieke activiteit dan is het hoog tijd om hulp te zoeken. Vaak weten kunstenaars waaraan de klacht te wijten is. Bij- voorbeeld een danser danst elke dag 3 uur en voor een voorstelling moet hij een paar weken 6u per dag dansen. Als dit niet goed gaat… wacht dan niet tot aan de voorstelling.
In België is de voorziening van de zorg goed georganiseerd. Wanneer je voelt dat een klacht niet goed evolueert, dan moet je contact opnemen. We zijn er niet om het systeem te misbruiken. Als het niet nodig is om behandeld te worden, gaan we daar ook geen gevolg aan geven. Maar wanneer je arm dood aanvoelt na een uur spelen dan is dat niet normaal. Laat dit nakijken. In zo’n geval kan een preventieve behandeling je ervoor behoeden dat het erger wordt.
Hebben jullie ook een preventiestrategie?
Prof. Roussel: We hebben hier veel ideeën rond, maar het probleem is dat we voor een
aantal zaken niet weten of het effectief helpt. Zo heeft men bijvoorbeeld jarenlang gepromoot om zoutloos te leven, nu blijkt dit niet echt op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd. We moeten opletten om geen adviezen te geven die niet wetenschappelijk onderzocht zijn. Het is wel de bedoeling om op termijn naar preventieve programma’s te gaan die we dan gaan onderzoeken. Dit is echter zo breed dat we hier financiering voor nodig hebben. Nu zijn we opgestart zonder financiering. We zijn niet geloofwaardig als we niet kunnen zeggen wat en waarom je iets effectief kan doen
In het kader van stembelasting hebben we bijvoorbeeld logopediste Gwen Van Nuffelen die zich heeft toegelegd op het onderzoek van preventieve maatregelen, zoals hydratatie en andere maatregelen die zowel bij leraars als bij acteurs en zangers worden gebruikt. Zij weet concreet wat helpt of niet helpt of welke topics nog verder dienen onderzocht te worden.
Het is de bedoeling om hier op lange termijn werk van te maken en naar preventie toe effectieve maatregelen te kunnen voorschrijven.
Dr. Dooms: Internationaal zijn er een aantal mensen bezig met therapie en preventie, maar er is nog heel veel wetenschappelijk onderzoek nodig.
Prof. Roussel: Je moet goed kijken hoe je preventieprogramma’s opstelt en je moet voldoende breed gaan. Indien je te nauw gaat, kan je geen effecten aantonen. Iets wat zeker op onze planning staat van het centrum, indien we financiering vinden.
Wat zijn jullie dromen of plannen voor verder onderzoek?
Prof. Roussel: Mijn onderzoeksdomein is lage rugpijn. Ik ben achterovergevallen door het aantal personen die mij gecontacteerd hebben, niet enkel mensen uit de danswereld maar ook beeldende kunstenaars. In dit onderwerp zou ik graag verdere analyses doen en in een tweede fase schouder en nekpijn bij muzikanten.
Ook het psychosociale aspect, wat mensen denken over hun klachten, hoe ze hier mee omgaan, de angst die ze hebben, zal ook een belangrijk topic zijn in de toekomst.
Dr. Dooms: Als bedrijfsarts ben ik heel erg geïnteresseerd in chemicaliën, in het effect van chemische producten. Dit in het kader van de beeldende kunsten. Hier is weinig onderzoek naar, terwijl we toch weten dat bijvoorbeeld solventen ernstige problemen kunnen opleveren. Dit risico kan men beperken door de juiste preventieve maatregelen.
 Het is spectaculair te zien hoe snel de wetenschap vooruit gaat. Twintig jaar geleden dacht men dat men bij een hernia best 6 weken kon platliggen. Nu zal niemand dit nog voorschrijven. Men geeft compleet tegenstrijdige adviezen ten opzichte van 16 jaar terug. Ook in de kunstensector is er nog een belangrijke rol om te groeien en betere adviezen te formuleren in de hoop dat herstel sneller kan vooruitgaan of klachten niet verergeren.
We wensen jullie heel veel succes met Antwerp HeArts!
RAADPLEGING
Universitair Ziekenhuis Antwerpen
03 821 42 02

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vul a.u.b. de uitkomst in: * Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.