Commentaar LeVeDKO bij ontwerptekst niveaudecreet

 

Organisatie

  • Verschil BK en podiumkunsten : de ongelijkheid die door de invoering van het niveaudecreet ontstaat tussen beeldende kunsten en podiumkunsten is van een nooit geziene grootorde. Het is voor podiumkunsten ronduit een discriminerende situatie

° het verschil in lestijd van 50 minuten voor BK en 60 minuten blijft behouden : het gelijkheidsprincipe wordt hiermee volledig geschonden

° met hetzelfde budget moet podiumkunsten extra nieuwe trajecten inrichten of trajecten verlengen (1e graad drama en muziek, specialisatiegraad, verlengen opleiding volwassenen) wat niet het geval is in BK. Er moeten middelen vrij gemaakt worden van de bestaande opleidingen om de nieuwe in te richten. Onvermijdelijk gaat dit tot kwaliteitsverlies en vermindering werkcomfort lijden.

° waar volwassen leerlingen in BK onmiddellijk in de hogere graad inschrijven , moeten zij nu in podiumkunsten een langer traject volgen waardoor een groot aantal de hogere graad niet zal bereiken wegens te lang en te belastend. Het verschil in de verhouding hogere graden tussen BK en podiumkunsten wordt nog groter (tevens door het weghalen van het vak muziekgeschiedenis uit de hogere graad).

 

  • De programmatie- en rationalisatienormen zijn voor vele academies niet realistisch. De overheid maakt in Vlaanderen slechts onderscheid tussen academies in een dichtbevolkt gebied en academies in een dunbevolkt gebied. De kleinere academies zijn als eerste het slachtoffer van deze te hoge normen maar ook grotere academies zullen problemen krijgen in de organisatie van dunner bevolkte vakken bv de minder populaire dansstijlen. Met deze normen wordt uitbouw van heel wat vakken bedreigd.
  • De nieuwe regeling rond afstandsnormen is sterk beperkend in de organisatie van het onderwijs en staat haaks op het principe van meer lokale autonomie. LeVeDKO pleit voor de afschaffing van de afstandsnormen.
  • Het opduiken van de solidariteitsfactor geeft een vermoeden een verdoken besparingsmaatregel te zijn.
  • Het verlengen/vervroegen van het traject voor volwassenen wordt sterk in vraag gesteld. De argumentatie dat volwassenen onvoldoende basiscompetenties zouden hebben voor een ander traject dan de kinderen wordt door de leerkrachten met klem tegen gesproken. De meerwaarde is zeer twijfelachtig , en staat niet in verhouding met het budget dat er voor nodig zal zijn.
  • De autonomie van de school laat toe dat zij zelf beslist over keuze van de vakken per graad. Ook over de duurtijd kan zij autonoom beslissen. LeVeDKO stelt zich de vraag of de einddoelen die hier als kader moeten dienen voldoende zijn om een grote ongelijkheid die tussen academies onderling kan ontstaan, te vermijden. Ook schuilt de mogelijkheid naar favoritisme achter de hoek.
  • We vragen ons af hoe de scholen de uren begeleiding, coördinatie en zorg gaan financieren . Het lijkt er op dat deze groep vergeten is bij het opstellen van de ontwerptekst. We vragen de overheid hierover meer garanties .
  • Ook rond de uren instrument in het eerste jaar van de tweede graad (huidige L1) rijzen grote vragen. Als dit ook van het huidige budget moet komen, is het de zoveelste ingreep dat het overblijvend budget voor de bestaande opleidingen verkleint.
  • LeVeDKO is zeer blij met de uitbreiding van lestijd in de 3e en 4e graad voor het domein dans.  De leerkrachten dans waren sinds lange tijd vragende partij. We hopen enkel dat de maximale groepsgroottes (die niet langer wettelijk vastgelegd zijn, maar binnen de autonomie van de school vallen) werkbaar blijven zodat de uitbreiding van de 3e en 4e graad niet ten koste gaat van leskwaliteit en lescomfort in de lagere graden.  Om dezelfde reden mogen graadsklassen geen oplossing zijn om de uitbreiding te organiseren.
  • Rond coördinatie uren ontbreekt een duidelijke regelgeving : taakomschrijving , verdeling uren enz. In de realiteit gebeurt het nog te vaak dat de opdracht niet in verhouding staat met het aantal uren coördinatie of de opdracht niet overeenstemt met de competenties van de leerkracht.
  • Er kunnen wachtlijsten worden aangelegd als de capaciteit van de opleiding ontoereikend is. Uit het verleden , toen dit een gangbare praktijk was ,weten we dat hierdoor leerlingen afhaken. Elke leerling die zich tijdens de inschrijvingsperiode wil inschrijven voor een bepaalde opleiding moet die kans krijgen !
  • De voorbereiding naar 2018 is nog steeds niet bezig mede omdat inhoudelijk nog veel niet bekend is. Ook de hogescholen hebben hierdoor nog geen aangepast curriculum. We denken hier o.m. aan de invoering van de eerste graad in drama en muziek. Hoe zit het met de inzetbaarheid van de leerkrachten? Lesgeven aan 6 en 7 jarigen vraagt een specifieke aanpak waar (de meest van ) onze leerkrachten niet voor opgeleid zijn.
  • De totale invoering van het niveaudecreet op 1 september is niet realistisch , de complexiteit van de hele organisatie is te groot, we pleiten voor een graduele invoering !

 

Onduidelijkheden

 

-In het domein muziek kennen we de opsplitsing tussen de richting instrument en de richting samenspel. In de ontwerptekst is niet duidelijk op welke manier die verschillende opties terug verschijnen of hoe het verschil in inhoud wordt opgevangen.

– De specialisatiegraad wordt niet ingebed in een aparte graad: welke impact heeft dat op de verloning? Hetzelfde geldt voor de cursus muziekgeschiedenis.

–  rond groepsgrootte en lestijd individueel traject is nog te veel onduidelijkheid, vragen rond het wegvallen van de maximale groepsgrootte en vragen rond de maximale groepsgrootte individuele trajecten : de leerkrachten willen concretere cijfers en informatie.

-Onduidelijkheid rond de puntenenveloppe : masterclasses, voordrachtgevers, projecten….. welk domein heeft recht op wat , wie beslist en vooral : zal er voldoende in de enveloppe zitten om voor elk domein iets te  realiseren zonder dat de reeds bestaande opdrachten moeten ingeperkt worden ? Verschuiven is geen optie !

 

Na de lezing van de ontwerptekst of van de memorie van toelichting hebt u misschien opmerkingen die u niet terug vindt in deze tekst. Graag ontvangen we jullie opmerkingen/bedenkingen in onze mailbox levedko@hotmail.com zodat we deze commentaar verder kunnen aanvullen.

 

 

Ontwerptekst  niveaudecreet deeltijds kunstonderwijs: een samenvatting…

 

Wat staat in het ontwerp ?

 

Op 12 mei 2017 kwam er een eerste goedkeuring van de Vlaamse regering op de ontwerptekst voor een decreet dat het deeltijds kunstonderwijs een nieuwe weg wil doen inslaan.

Deze tekst zet het proces in gang dat finaal moet leiden naar de invoering van het decreet op 1 september 2018. Het is als het ware een kladversie van de definitieve tekst waar weliswaar nog aan gesleuteld kan worden en die zou moeten evolueren naar een evenwichtig geheel waar alle betrokken partijen zich in kunnen vinden.

Daarom komen er adviezen van o.m. de Vlaamse onderwijsraad en zullen de vakbonden en de werkgevers nogmaals kansen krijgen om hun opmerkingen en suggesties te formuleren.

Belangrijk is ook sinds kort de aanwezigheid van een expert deeltijds kunstonderwijs op het kabinet. Deze functie wordt ingevuld door Herman De Vleesschouwer, directeur S.A.M.W.D. Sint Niklaas, die voor lange tijd gedetacheerd wordt en wiens expertise ingezet zal worden als toetssteen. Hij is tevens aanwezig als vertegenwoordiger van het veld , d.w.z. van alle directeurs en leerkrachten. De opmerkingen vanuit het veld kunnen via hem rechtstreeks doorstromen naar de beleidsmakers. We hopen dat deze samenwerking zal leiden tot een evenwichtige en juist geformuleerde tekst. Immers, het verschil van een paar woorden, het aanpassen van een cijfer na de komma kan grote gevolgen hebben.

Het decreet regelt de organiseerbaarheid van het deeltijds kunstonderwijs. Deze tekst heeft betrekking op de rechten en plichten, opdrachten , structuur, financierbaarheid, kortom : alles wat nodig is om onderwijs aan een gesubsidieerde academie te organiseren. De tekst heeft een wettelijk karakter en zal gelden zolang er geen ander decreet wordt geschreven. De definitieve goedkeuring wordt gepland tegen februari 2018.

Naast het decreet komt er nog een uitvoeringsbesluit dat zal handelen over de meer concrete inhoud van het onderwijs. Dit besluit heeft een minder sterk wettelijk karakter dan een decreet en heeft het voordeel dat er in de loop der jaren makkelijker wijzigingen kunnen in aangebracht worden. Zo kan het deeltijds kunstonderwijs mee evolueren met een steeds veranderende maatschappij.

Een belangrijk onderdeel in de hervorming van het deeltijds kunstonderwijs is de opleidingsstructuur . De overheid  voorziet in het decreet een opleidingsstructuur die bestaat uit vier niveaus of graden :

1e graad: startersniveau voor kinderen jonger dan 8 jaar (duurtijd 2 jaar)

2e graad: startersniveau voor iedereen vanaf 8 jaar (duurtijd 4 jaar)

3e graad: semi-gevorderden niveau (duurtijd 3 jaar)

4e graad: gevorderden niveau (duurtijd 3 jaar)

De kwalificatie wordt behaald na de vierde graad.

Deze indeling sluit aan bij de bestaande lagere, middelbare en hogere graad. Voor de domeinen drama en muziek is het bestaan van de eerste graad nieuw. Ook nieuw is de mogelijkheid om in bepaalde graden (afhankelijk van het domein) een traject te versnellen of te vertragen. Het komt er op neer dat het totaal aantal lestijden voorzien voor een bepaalde graad kan doorlopen worden in een kortere of langere tijd. Het urenpakket per week wordt dan groter of kleiner.

Aanvullend aan de 4de graad (2 leerjaren) kan in elk domein een specialisatiegraad worden georganiseerd. Dit wordt een kortlopende studierichting die niet ingebed wordt in een bepaalde graad en die bedoeld is voor excellerende leerlingen.

Ondanks het feit dat het bij de aanvang van het schrijven van een nieuw decreet de bedoeling was om in alle domeinen hetzelfde parcours aan te bieden , is de overheid ingegaan op de eis van het domein beeldende kunsten om het parcours te behouden zoals in de huidige structuur . Dit wil zeggen dat alleen kinderen en jongeren starten in de 1e graad en vervolgens de trajecten 2e graad en 3e graad doorlopen. Volwassen leerlingen zullen ook in de toekomst onmiddellijk ingeschreven kunnen worden in de 4de graad in een traject van 4/5 jaar (8 lestijden). Zij kiezen dan voor specifieke ateliers. Volwassenen die het wensen, kunnen zich bij aanvang inschrijven in de 3de graad( twee leerjaren).

In tegenstelling tot het domein BK voorziet de overheid in de ontwerptekst voor het domein podiumkunsten( muziek, woord en dans) een langer parcours voor alle volwassenen. Zij starten in  de tweede graad.

Domein dans :

De huidige eerste twee jaren in de lagere graad stemmen overeen met de 1e graad waarop de volgende vier jaren lagere graad de 2e graad zullen vormen. Nieuw is wel dat de 2e graad in een traject van 2 jaar kan worden afgelegd met telkens 4 lestijden per week (ten opzichte vaan de twee wekelijkse lestijden in het normale traject). Volwassenen starten ook in de tweede graad in een traject van 4 jaar.

In de derde en vierde graad blijft het aantal leerjaren van de huidige structuur behouden maar verhoogt het aantal wekelijkse lestijden: in de 3e graad worden dat 2,5 wekelijkse lestijden , in de 4e graad 3 wekelijkse lestijden.

Net als in de andere domeinen zijn er ook leerlingen die in het domein dans een receptief-reflectieve opleiding willen volgen. Ook hier voorziet de opleidingsstructuur een kortlopend traject ‘danscultuur’ van 3 leerjaren. Dit aanbod is enigszins vergelijkbaar met de huidige optie ‘theorie van de dans’. Zowel leerlingen die al één of meer graden van een andere langlopende studierichting gevolgd hebben als leerlingen zonder enige voorkennis kunnen een dergelijk traject volgen.

Nieuw is de mogelijkheid om een specialisatie dans te volgen. Dit opleidingstraject van 2 jaar naar analogie van de huidige specialisatiegraad beeldende kunst biedt uitmuntende leerlingen de kans om hun dko-opleiding voort te zetten.

 

Domein drama

De 1e graad bestaat uit twee leerjaren met elk 1 lestijd per week.

De huidige lagere graad komt overeen met de 2e graad, de middelbare graad met de 3e graad en de hogere graad wordt gelijk gesteld met de 4e graad. De 1e graad is nieuw in het domein woordkunst-drama. In de tweede graad wordt het aantal leerjaren en wekelijkse lestijden van de lagere graad behouden. Het traject van 4 leerjaren met 1 wekelijkse lestijd stemt overeen met de huidige lagere graad. Het snelle traject van 2 leerjaren met 2 wekelijkse lestijden is nieuw. Anders dan vandaag zullen volwassenen in de 2e graad  starten.

In de 3e en 4e graad blijft het aantal leerjaren en wekelijkse lestijden van de huidige middelbare en hogere graad behouden.

Net als in de andere domeinen kunnen leerlingen in het domein woordkunst-drama een receptief-reflectieve opleiding volgen. Ook hier voorziet de opleidingsstructuur een kortlopend traject ‘woordkunst-dramacultuur’ van 3 leerjaren. De kortlopende studierichting ‘schrijver’ stemt overeen met de huidige optie literaire creatie in de hogere graad woordkunst. Het huidige traject van drie leerjaren met twee wekelijkse lestijden wordt behouden.

Nieuw is de mogelijkheid om een specialisatie woordkunst-drama te volgen. Dit opleidingstraject van 2 jaar naar analogie van de huidige specialisatiegraad beeldende kunst biedt uitmuntende leerlingen de kans om hun opleiding voort te zetten.

Domein muziek

Voor de nieuwe 1e graad voorziet de opleidingsstructuur twee leerjaren met elk 1 lestijd. De mate waarin leerlingen in de eerste graad ook al één of meer instrumenten leren bespelen, is een pedagogische keuze van de academie.

Voortaan zullen leerlingen in de nieuwe 2e graad meteen met een instrument kunnen starten. Daarom voorziet de opleidingsstructuur 4 leerjaren met telkens 3 wekelijkse lestijden. De drie componenten van de muziekopleiding zijn: een instrument bespelen, een muziektheoretische basis verwerven en samen musiceren en zingen. Op deze manier kunnen die componenten in gelijke mate aan bod komen.

De overheid legt geen verplichte lessenroosters op, het is aan de academies zelf om hun lessenroosters samen te stellen.

De globale studieomvang van de huidige lagere graad daalt lichtjes van 13 naar 12 lestijden gespreid over 4 leerjaren in de toekomstige tweede graad. Ook volwassenen zullen in de tweede graad voortaan 4 leerjaren met 3 wekelijkse lestijden volgen, tenzij ze al bepaalde competenties verworven hebben.

In de 3e graad, die overeenstemt met de huidige middelbare graad, behoudt de nieuwe opleidingsstructuur 3 leerjaren met telkens 3 lestijden. Wel worden er verschillende trajectsnelheden mogelijk (3 of vier jaar). Als de academie beide trajecten aanbiedt, kunnen leerlingen kiezen voor een intensiever of minder intensief parcours.

In de 4e graad, die overeenstemt met de huidige hogere graad, behoudt de nieuwe opleidingsstructuur 3 leerjaren met telkens 2 lestijden.

De kortlopende studierichting ‘muziekcultuur’ stemt overeen met de huidige optie ‘algemene muziekcultuur-luisterpraktijk’ in de middelbare graad en de kortlopende studierichting ‘muziekgeschiedenis’ met de huidige optie ‘muziekgeschiedenis’ in de hogere graad. Anders dan vandaag wordt dit opleidingsaanbod niet langer ondergebracht in een bepaalde graad van de opleidingsstructuur.

Nieuw is de mogelijkheid om een specialisatie muziek te volgen. Dit traject van 2 leerjaren biedt naar analogie van de huidige specialisatiegraad beeldende kunst uitmuntende leerlingen de kans om hun opleiding voort te zetten.

Belangrijk in  de toekomstige structuur is het niet verplichtend karakter van de eerste graad. Leerlingen kunnen nog perfect instromen in de tweede graad op de leeftijd van 8 jaar zonder de eerste graad te hebben gevolgd.  En alhoewel de eerste graad voornamelijk is bedoeld voor de 6 en 7 jarigen kunnen kinderen tot de leeftijd van 11 jaar zich inschrijven in de 1e graad . Ook valt het binnen de autonomie van de school wat zij aanbiedt in de 1e graad. Naast de meer specifieke initiatie per domein kan er ook een domein-overschrijdende opleiding worden aangeboden.

 

Eindtermen

In tegenstelling tot andere onderwijsniveaus bestaan er voor het dko tot nu toe geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen maar minimumleerplannen, welke sterk verouderd zijn. Het niveaudecreet voorziet geactualiseerde einddoelen die aansluiten bij de hedendaagse evolutie in kunsten en maatschappelijke verwachtingen van het dko. In 2012 ontwikkelden deskundigen een studieprofiel kunstonderwijs dat als basis diende voor het ontwikkelen van einddoelen. Van de eerste tot en met de derde graad worden de einddoelen basiscompetenties genoemd. Voor de vierde graad zitten de einddoelen vervat in beroepskwalificaties. Leerlingen die het hele traject doorlopen en slagen voor een eindproef krijgen een certificaat met een beroepskwalificatie. Voor leerlingen die zich willen richten op vervolgonderwijs in de kunsten zal de overheid specifieke eindtermen voorzien. Ondanks het verdwijnen van de minimumleerplannen, blijft de academie de vrijheid hebben om er zelf te ontwikkelen en te gebruiken als hulpmiddel.

 

Algemeen

Los van de keuzemogelijkheid valt in de ontwerptekst op dat er veel vrijheid wordt gegeven naar keuzes op lokaal niveau. Zo kan het schoolbestuur het lestijdenpakket naar eigen wil verspreiden over de verschillende leerjaren. De regelgeving bepaalt enkel het totaal aantal lestijden per graad.

Ook de vakkencombinaties kunnen de schoolbesturen zelf bepalen. De verplichte vakkencombinaties zoals die nu door de overheid wordt bepaald, wordt losgelaten. Alle vakken moeten wel passen binnen de einddoelen.

De specialisatieopleiding is een leertraject voor uitmuntende leerlingen. De leerkrachten en directeur zullen hiervoor de toelatingsvoorwaarden bepalen. De beschikbare omkadering voor  de specialisatieopleiding wordt  voortaan per academie bepaald aan de hand van haar leerlingenaantal in de 4de graad.

De leerlingen en afgestudeerden kunnen voortaan gebruik maken van een complementair aanbod van masterclasses, terugkommomenten, interdisciplinaire projecten. De school krijgt een puntenenveloppe ( wordt toegekend vanaf het 3de schooljaar na de inwerkingtreding van het niveaudecreet) om dit te organiseren en bepaalt ook de toelatingsvoorwaarden.

Leerlingen kunnen slechts 1 maal dezelfde opleiding volgen. Aanvullend aan de opleiding zijn de specialisatie en terugkommomenten . Uiteraard kunnen leerlingen wel kiezen om een andere opleiding te volgen in een ander domein of in hetzelfde domein een andere optie (bv een ander instrument, een andere dansstijl,.…). In het verleden waren de  herinstromers in de lagere graad niet financierbaar omdat zij niet ingeschreven waren in het vak AMV. Een adequate omkadering van de herinstromers moet vermijden dat academies nog langer leerlingen dienen te verplichten om bijkomende opleidingen te volgen.

Leerlingen met een beperking die ondanks redelijke aanpassingen te weinig leerwinst boeken om binnen het gemeenschappelijk curriculum te blijven functioneren, hebben recht op een individueel aangepast curriculum.

Het verlengen van het leertraject (overzitten) wordt in het niveaudecreet strikt beperkt tot leerlingen die de einddoelen onvoldoende bereikt hebben. De directeur en de betrokken leerkrachten beoordelen of het verlengen van het leertraject verantwoord is. Het niveaudecreet gaat er daarbij van uit dat de academie op de eerste plaats andere middelen benut om bij onvoldoende leervorderingen te remediëren. Het huidige gedoogbeleid van sommige academies waarbij leerlingen via overzitten van het laatste leerjaar van een graad hun studieduur verlengen, is niet langer mogelijk. Desalniettemin zijn er wel situaties waarbij het verlengen van het leertraject gerechtvaardigd is, bv. overmacht waardoor een leerling in de loop van het schooljaar tijdelijk moet afhaken en te weinig leerwinst heeft gerealiseerd (de leerling wordt in een extra jaar in de vierde graad maar voor 50% financieel omkaderd).

De voormalige term uur-leraar wordt vervangen door lestijd. De overheid besliste om de ongelijkheid in de lestijden tussen BK en podiumkunsten te behouden, een lestijd in BK duurt 50 min. en in podiumkunsten 60 min.

De overheid wil de lokale samenwerkingsverbanden tussen academies en scholen vergroten , hierbij kiest het niveaudecreet bewust voor het kleinschalige, lokale initiatief. De samenwerkingsverbanden ontstaan dus uit vrije wil en op eigen initiatief. Het zwaartepunt ligt bij activiteiten tijdens de schooltijd, dit om alle leerlingen te bereiken. Door de kunstenaar in de klaswerking te introduceren kan deze een beeld geven van de cultuureducatie en leerlingen laten kennis maken met het opleidingsaanbod in het dko. Ook andere samenwerkingsverbanden (reeds bestaande en nieuwe) kunnen ondersteuning krijgen. De overheid voorziet hiervoor ook een puntenenveloppe. Het niveaudecreet voorziet een ondersteuning gedurende drie schooljaren.

Omkadering

Een belangrijk onderdeel in de ontwerptekst is de omkadering van het onderwijzend personeel. Voor de berekening hiervan hanteert de overheid omkaderingscoëfficiënten. Per domein/graad/traject (duur van een graad) wordt een coëfficiënt toegekend dat bepalend zal zijn voor hoeveel lestijd een leerling genereert . Een voorbeeld : in het domein drama en muziek voorziet de overheid voor het tweejarig traject in de eerste graad en een omkaderingscoëfficiënt van 0,06667. Elke leerling zorgt voor 0,06667 u lestijd, wat betekent dat 15 leerlingen een volledig uur lestijd opleveren.

Een ander element dat in sommige gevallen mee bepalend kan zijn in het verwerven van lestijden is de solidariteitsfactor. De solidariteitsfactor is een budgetbeheersingsmechanisme waarmee de globale omkaderingsberekening jaarlijks bijgesteld wordt a rato van de impact van de omkadering voor nieuwe academies (die op een bepaalde afstand liggen) of onderdelen ervan zoals domeinen of structuuronderdelen, en zulks voor de duur van de programmatie. Hij neemt de vorm aan van een aanwendingspercentage waardoor een globale correctie op de omkaderingberekening toegepast wordt. Dat betekent dat zowel academies die niets oprichten als deze die dat wel doen er het effect van ondervinden. Voor academies zonder oprichting zal de solidariteitsfactor bij een gelijke leerlingenpopulatie tot een lichte omkaderingsdaling leiden. De academies met een oprichting zullen hun omkadering zien toenemen, zij het niet voor 100% aangezien ook bij hen de verrekening van de solidariteitsfactor in mindering gebracht wordt.

Lestijden worden dus berekend op basis van leerlingen x omkaderingscoëfficiënt x solidariteitsfactor (indien nodig).

 

Programmatie- en rationalisatienorm.

Een laatste belangrijk punt dat we nog willen meegeven is het onderdeel programmatie- en rationalisatienorm.

programmatienorm: het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag in een academie, domein of structuuronderdeel in een vestigingsplaats moet ingeschreven zijn om in de financierings- of subsidiëringsregeling te worden opgenomen;

rationalisatienorm: het aantal regelmatige leerlingen dat op een welbepaalde teldag in een academie, domein of structuuronderdeel in een vestigingsplaats ingeschreven moet zijn om na de programmatieperiode nog gefinancierd of gesubsidieerd te blijven.

Nabeschouwing

Het was en is nog steeds belangrijk om de cijfers goed te analyseren en een juiste interpretatie te kunnen geven van de totale impact. VerDi en vakorganisaties legden zich reeds toe op een grondige analyse van de cijfers  bij de ontvangst van een eerste versie van de ontwerptekst en zagen een aantal verschuivingen , sommige met dramatische gevolgen. De overheid heeft daarom , nog voor de ontwerptekst ter goedkeuring werd voorgelegd aan het Vlaams Parlement reeds een paar bijsturingen gedaan om het grootste onevenwicht te verminderen. De omkaderingscoëfficiënten worden verder bestudeerd.

 

 

 

 

Voorontwerp nieuw decreet deeltijds kunstonderwijs

Op 12 mei keurde de Vlaamse regering het voorontwerp goed dat zal leiden tot een definitief niveaudecreet voor het deeltijds kunstonderwijs. Na deze eerste principiële goedkeuring volgen nog stappen zoals adviezen van o.m. de VLOR , vakbonden , werkgevers en vakverenigingen. Daarna volgt een goedkeuring waarna de Raad van State zijn licht laat schijnen op het decreet. Finaal moet het parlement het decreet goedkeuren. Via onderstaande linken de tekst van het voorontwerp en van een memorie van toelichting.
Reacties, opmerkingen en suggesties altijd welkom via levedko@hotmail.com

Antwerp HeArts helpt kunstenaars met gezondheidsklachten.

Antwerp-HeArts_NLInterview door Katelijne Lanneau en Ophelia Van Keer

Zowel professionele kunstenaars als liefhebbers kunnen een beroep doen op Antwerp HeArts. Het centrum werd gelanceerd maandag 12 september 2016, is opgericht door het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA) en de Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Antwerpen en heeft de sympathie van Opera Ballet Vlaanderen, Jan Fabre, deFilharmonie, het Toneelhuis en de Antwerpse schools of arts. LeVeDKO sprak met Dokter Dooms en Professor Nathalie Roussel. Twee topvrouwen met een warm hart voor de kunstenaar.

Dr. Dooms, arbeidsgeneesheer en kunstliefhebber, stelde vast dat de kunstensector het vergeten deel is in de arbeidsgeneeskunde. Terwijl er toch wel veel problemen zijn. Dit wakkerde haar interesse. Daarom volgde ze de opleiding ‘Médicine des Arts’ in Frankrijk.

Prof. Roussel is docent REVAKI en Kinesitherapeut. Ze twijfelde 20 jaar geleden tussen geneeskunde studeren of naar het conservatori- um gaan. Ze zong toen in het kathedraalkoor en speelde dwarsfluit. Uiteindelijk koos ze voor geen van beiden, maar voor kinesitherapie. Het aspect beweging interesseerde haar ook. Na haar studies kreeg ze de kans om in onderzoek verder te gaan. Lage rugpijn bij dansers is het eerste wat ze onderzocht. Prof. Roussel vond het vreemd dat dansers zo veel last hebben van lage rugpijn ondanks ze toch wel een goede controle van beweging hebben. Via het onderzoeksluik kwam ze in contact met dansers en later met muzikanten aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Nadien werkte ze samen met o.a. Jan Fabre en de Filharmonie.

Hoe ontstond de idee om Antwerp HeArts op te richten?

Er was een grote nood aan het oprichten van zo’n expertisecentrum. In de sport is het ondenkbaar dat een arts die zich volledig heeft toegelegd op voetbal plotseling met schaatsers of ijshockey gaat werken. Het is heel normaal dat je als sportclub terecht kan bij iemand die ervaring heeft met de desbetreffende sporttak. Maar in de kunst is het nog steeds de gewoonte dat men naar een algemene praktijk gaat en verwacht men van de geneesheer dat hij weet wat te doen. De interesse was er om vanuit medisch en paramedisch standpunt te gaan kijken waarom dansers en muzikanten zo veel klachten hebben en vooral wat we kunnen doen ter preventie. Kinesitherapie is een belangrijk onderdeel, maar ook huisartsen en andere medische specialisten, zoals logopedisten en psychologen vormen een onderdeel. De idee ontstond om een expertisecentrum op te richten dat zich voornamelijk naar kunstenaars kan toespitsen.

Hoe hebben jullie elkaar gevonden?

Prof. Roussel: Antwerp HeArts is ontstaan uit de samenwerking tussen de Universiteit Antwerpen en het Universitaire ziekenhuis. Prof. Dr. Paul Van Royen, Prof. Dr. Jan Gielen en ik zijn de drie initiatiefnemers.

Onze decaan Prof. Dr. Paul Van Royen is huisarts en amateurmusicus, zijn broer is violist. In zijn praktijk wordt hij vaak geconfronteerd met musici die op vrijdagavond die langskomen met een probleem, dikwijls kort voor een optreden. Hij was dus intrinsiek geïnteresseerd, zowel vanuit het artistieke als vanuit het medische luik.

Prof. Dr. Jan Gielen, Coördinator SPORTS, UZA Radioloog, heeft zijn werk in het ziekenhuis uitgebreid tot diensthoofd van een multidisciplinair centrum voor sporters, maar is eigenlijk vooral geïnteresseerd in de kunst. Met hem werkten we samen met de performers van Jan Fabre. Hij was bereid zijn centrum ten dienste te stellen van het klinische werk bij kunstenaars. Hij heeft ervaring met het groeperen van ver- schillende disciplines op één plaats en met het doorsturen in functie van het probleem.

We zijn dus met drie gestart en we hebben Dr. Dooms gevraagd om de consultaties te doen. Daarna hebben we het team aan- gevuld met contactpersonen zowel in het ziekenhuis als daarbuiten. We hebben een uitgebreide rondvraag gedaan bij kinesitherapeuten, psychologen, logopedisten, huisartsen, orthopedisten enzovoort die zich bezighouden met kunstenaars. Zo kunnen we patiënten gericht doorverwijzen. Je moet dus het centrum beschouwen als een combinatie van zowel een fysiek centrum patiënten kunnen hier effectief terecht als van een soort netwerk. Wanneer iemand een specifiek probleem heeft, bijvoorbeeld een schouder-probleem, zal Dr. Dooms de persoon door-verwijzen naar kinesitherapeuten die een expertise hierin hebben opgebouwd.

Jullie zorgen dus voor verbinding met de juiste mensen?

Prof. Roussel: Inderdaad. In de eerste plaats is een goede diagnose belangrijk. Het is niet de bedoeling dat alle patiënten in het UZA worden behandeld, wel dat ze met een goede diagnose doorverwezen worden in ons netwerk. Belangrijk is ook te bepalen wat er nodig zal zijn: is er verdere medische beeldvorming nodig, kinesitherapie, voedings- en dieetleer enzovoort? Om die reden is het centrum ook iets plastisch, het is geen vaste structuur met een paar mensen die we hebben ingeschakeld, maar het is iets heel flexibel.

Er is een centraal telefoonnummer. De telefonist is getraind om aan de hand van een telefoongesprek een triage te maken. Kan dit niet op basis van het telefoongesprek, dan wordt die persoon teruggestuurd naar de huisarts om te bekijken welke nuttige informatie de huisarts kan meegeven. Is het heel acuut dan wordt die persoon natuurlijk naar spoed doorverwezen. Maar is het niet zo acuut, kan die persoon door één van onze artsen gezien worden. Waarom geen gebruik maken van de expertise in de omliggende regio’s? We hebben geopteerd om de doelgroep kunstenaars voorop te stellen en ons niet de specifiëren rond één pathologie, bijvoorbeeld lage rugpijn. We zijn geen experten in neus, keel en oor, maar we hebben die wel 20 meter verder. We hebben dus gekozen voor één doelgroep en één centraal telefoonnummer, maar dit verbonden aan een heel breed netwerk.

Dr. Dooms: We moeten niet alles vanaf de grond opbouwen. We kunnen gebruik maken van wat er al is. Dat is luxe. Tot nu toe bestaat ons netwerk vooral uit mensen vanuit het Antwerpse. Het zou wel leuk zijn om dit te kunnen uitbreiden naar andere regio’s.

Prof. Roussel: Vanuit het multidisciplinaire centrum voor de sport was er al heel wat expertise voorhanden. De dansers stuurden we daar naartoe. Voor de muzikanten en beeldende kunstenaars was er nog niets voorhanden, hiervoor hebben we extra expertise aangetrokken. Daarnaast hebben we de verschillende disciplines gevraagd om in hun werkveld te gaan nakijken wie er welke expertise heeft. Ik heb dit gedaan voor de kinesitherapie en voor de huisartsen. Zo hebben we lijsten opgesteld. We trachten ons niet te beperken tot eigen contacten. Er zijn vele mensen met expertise en het zou dom zijn om hier geen gebruik van te maken. Onze bedoeling is om kwaliteit te bieden in de zorg.

We voorzien ook regelmatig bijscholingen. Zo komt er binnenkort iemand spreken over het Fonds der beroepsziekten. Dit omdat ook vanuit de kunstwereld aanvragen kunnen gedaan worden om klachten of pijn als beroepsziekte te laten nakijken. Dit heeft financieel ook een aantal voordelen. Deze kennis verspreiden we via de kanalen van de universiteit, het UZA en onze eigen netwerken.

Ook in het kunstonderwijs zijn er regelmatig leerkrachten met fysieke klachten die hierdoor een tijdje out zijn. Het blijkt vaak taboe.

Prof. Roussel: Dat is onmiddellijk het grote verschil met de sport: daar is dit totaal geen probleem. Het enige wat we hierop kunnen zeggen is: hoe sneller je met een klacht geholpen wordt, hoe gunstiger de evolutie. Hoe langer je wacht, hoe groter de kans op chronische problemen en hoe moeilijker de revalidatie. Het is een voordeel dat we een onafhankelijk centrum zijn. We hebben geen rechtstreekse link met kunsthuizen. Discretie is verzekerd. Het is wel zo dat een aantal mensen zich niet openlijk wil affiliëren met het expertisecentrum omdat ze schrik hebben voor een negatieve invloed op hun carrière indien ze voor hun klachten zouden uitkomen. De taboesfeer is er nog altijd.

Dr. Dooms: Hoe meer erover geschreven en gepraat wordt, hoe beter. Aan vele klachten is er immers veel te doen. Het grootste probleem is dat kunstenaars gewoon met hun klachten blijven lopen.

Prof. Roussel: Hoe sneller je gaat naar iemand met kennis van zaken, hoe sneller je ervan af kan geraken. Er wordt vaak te lang gewacht of men zwerft tussen verschillende zorgverstrekkers waarvan men via via gehoord heeft dat die misschien iets heeft kunnen betekenen voor een buur… Vanuit het expertisecentrum willen we de mensen bij de juiste personen brengen. We hopen dat er sneller contact genomen wordt met de hulpverlening, al is het maar bij de eigen huisarts. De stap moet sneller gezet worden:’ ik heb een probleem, ik kan niet functioneren op niveau, ik ga hulp zoeken en die persoon gaat me zeggen wat ik moet doen of bij wie ik juist moet zijn’. Dat is de bedoeling. Je moet daarom niet aan de grote klok hangen dat je bijvoorbeeld schouder- of nekproblemen hebt. Sneller hulp zoeken kan al heel effectief zijn.

Kunnen kunstenaars zelf bellen naar het telefoonnummer of moet men doorverwezen worden via de huisarts?

Prof. Roussel: Het was onze bedoeling om een gebruiksvriendelijk systeem te hebben door het te centraliseren. Vandaar de combinatie van één fysieke locatie met één centraal telefoonnummer met daar-opvolgend een soort van ‘dispatching’. Dit om het heel overzichtelijk te houden.

De personen die de intakegesprekken doen aan de telefoon zijn hiervoor heel specifiek opgeleid en getraind op het doorsturen. Bijvoorbeeld iemand met verminderd gehoor: indien door geluidsoverlast moet die persoon naar spoed en heel snel behandeld worden. Is er sprake van een virale infectie met oorontsteking is het niet nodig om binnen de 24u gezien te worden door een neus- keel- en oorspecialist want dit is iets wat een huisarts zal kunnen nakijken.

Kunnen jullie een voorbeeld schetsen van een traject dat een danser met geblokkeerde schouder in jullie centrum zou doorlopen?

Prof. Roussel: Bij een danser met schouderpijn moet eerst nagegaan worden of verdere medische beeld- vorming nodig is. De orthopedist van het centrum kan bekijken of dit nodig is en hier verder advies in geven. In het geval van iemand die al heel lang schouderpijn heeft bij het musiceren maar nog altijd verder kan musiceren mits hinder, zal men die doorverwijzen naar Dr. Dooms. Zij zal vragen om het instrument mee te nemen op consultatie.

Dr. Dooms: Het meebrengen van het instrument is dan inderdaad noodzakelijk. Ik bekijk dan ook in de consultatie hoe ze hun instrumenten bespelen. Natuurlijk is dit enkel een screening, men ziet
enkel de houding bij mij in de consultatie. Een houding tijdens een concert kan totaal anders zijn. Zien we al fouten in de screening kan ik hen al heel gericht doorverwijzen. Aan dansers vragen we om hun dans-schoenen mee te brengen.
Prof. Roussel: Dit kan zijn naar de kinesitherapie, voor bijvoorbeeld spiertraining. Of het kan zijn naar een andere specialisatie. Wanneer sprake is van uitstraling van de pijn of tintelingen in de arm kan Dr. Dooms bepalen dat verder neurologisch onderzoek nodig is en wordt de patiënt doorgestuurd met specifieke verwijsbrief. Het traject is dus sterk afhankelijk van het probleem.
Jullie doen dus de screening en verwijzen door. Volgen jullie de patiënten ook verder op?
Dr. Dooms: Dat is de bedoeling. We zijn natuurlijk nog maar pas gestart, afgelopen september. We moeten nog bekijken hoe dit evolueert. Het kan zijn dat patiënten goed geholpen zijn op een bepaalde plek en daar dus blijven. Er wordt uiteraard altijd gevraagd om een verslag te schrijven naar het expertisecentrum.

Prof. Roussel: Bij de opstart van zo’n expertisecentrum moet je een aantal beslissingen nemen in verschillende fases. We zijn van plan, en dat zal ook mijn rol zijn, om de kwaliteit van de zorg achteraf te evalueren. Wanneer patiënten hier komen, zouden we de vraag kunnen stellen: mogen wij u binnen 6 weken opnieuw contacteren of binnen 3 maanden en u bevragen over wat er gebeurd is. Dit is echter iets wat je niet kan doen in een opstartfase. In een opstartfase moet je je energie steken in het bevorderen van contacten, ervoor zorgen dat de communicatie tussen de verschillende hulpverleners goed verloopt, dat er een goede communicatie is naar de patiënt. In een tweede fase wanneer we meer routinematig bezig zijn, dan kunnen we evalueren hoe de communicatie gebeurd is

met de patiënt, zijn huisarts en dergelijke.

Het is belangrijk om niet te lang te wachten. Maar wat is ‘niet te lang wachten’?
Prof. Roussel: Wanneer je klachten hebt die interfereren met je artistieke activiteit dan is het hoog tijd om hulp te zoeken. Vaak weten kunstenaars waaraan de klacht te wijten is. Bij- voorbeeld een danser danst elke dag 3 uur en voor een voorstelling moet hij een paar weken 6u per dag dansen. Als dit niet goed gaat… wacht dan niet tot aan de voorstelling.
In België is de voorziening van de zorg goed georganiseerd. Wanneer je voelt dat een klacht niet goed evolueert, dan moet je contact opnemen. We zijn er niet om het systeem te misbruiken. Als het niet nodig is om behandeld te worden, gaan we daar ook geen gevolg aan geven. Maar wanneer je arm dood aanvoelt na een uur spelen dan is dat niet normaal. Laat dit nakijken. In zo’n geval kan een preventieve behandeling je ervoor behoeden dat het erger wordt.
Hebben jullie ook een preventiestrategie?
Prof. Roussel: We hebben hier veel ideeën rond, maar het probleem is dat we voor een
aantal zaken niet weten of het effectief helpt. Zo heeft men bijvoorbeeld jarenlang gepromoot om zoutloos te leven, nu blijkt dit niet echt op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd. We moeten opletten om geen adviezen te geven die niet wetenschappelijk onderzocht zijn. Het is wel de bedoeling om op termijn naar preventieve programma’s te gaan die we dan gaan onderzoeken. Dit is echter zo breed dat we hier financiering voor nodig hebben. Nu zijn we opgestart zonder financiering. We zijn niet geloofwaardig als we niet kunnen zeggen wat en waarom je iets effectief kan doen
In het kader van stembelasting hebben we bijvoorbeeld logopediste Gwen Van Nuffelen die zich heeft toegelegd op het onderzoek van preventieve maatregelen, zoals hydratatie en andere maatregelen die zowel bij leraars als bij acteurs en zangers worden gebruikt. Zij weet concreet wat helpt of niet helpt of welke topics nog verder dienen onderzocht te worden.
Het is de bedoeling om hier op lange termijn werk van te maken en naar preventie toe effectieve maatregelen te kunnen voorschrijven.
Dr. Dooms: Internationaal zijn er een aantal mensen bezig met therapie en preventie, maar er is nog heel veel wetenschappelijk onderzoek nodig.
Prof. Roussel: Je moet goed kijken hoe je preventieprogramma’s opstelt en je moet voldoende breed gaan. Indien je te nauw gaat, kan je geen effecten aantonen. Iets wat zeker op onze planning staat van het centrum, indien we financiering vinden.
Wat zijn jullie dromen of plannen voor verder onderzoek?
Prof. Roussel: Mijn onderzoeksdomein is lage rugpijn. Ik ben achterovergevallen door het aantal personen die mij gecontacteerd hebben, niet enkel mensen uit de danswereld maar ook beeldende kunstenaars. In dit onderwerp zou ik graag verdere analyses doen en in een tweede fase schouder en nekpijn bij muzikanten.
Ook het psychosociale aspect, wat mensen denken over hun klachten, hoe ze hier mee omgaan, de angst die ze hebben, zal ook een belangrijk topic zijn in de toekomst.
Dr. Dooms: Als bedrijfsarts ben ik heel erg geïnteresseerd in chemicaliën, in het effect van chemische producten. Dit in het kader van de beeldende kunsten. Hier is weinig onderzoek naar, terwijl we toch weten dat bijvoorbeeld solventen ernstige problemen kunnen opleveren. Dit risico kan men beperken door de juiste preventieve maatregelen.
 Het is spectaculair te zien hoe snel de wetenschap vooruit gaat. Twintig jaar geleden dacht men dat men bij een hernia best 6 weken kon platliggen. Nu zal niemand dit nog voorschrijven. Men geeft compleet tegenstrijdige adviezen ten opzichte van 16 jaar terug. Ook in de kunstensector is er nog een belangrijke rol om te groeien en betere adviezen te formuleren in de hoop dat herstel sneller kan vooruitgaan of klachten niet verergeren.
We wensen jullie heel veel succes met Antwerp HeArts!
RAADPLEGING
Universitair Ziekenhuis Antwerpen
03 821 42 02

Conceptnota DKO

De Vlaamse minister van Onderwijs

 

Conceptnota aan de Vlaamse Regering

 

Betreft: niveaudecreet deeltijds kunstonderwijs

 

1.    Vooraf

 

Vlaanderen is een open regio met mensen die wereldwijd bekend staan om hun vakmanschap en oog voor detail. Net zoals in de creatieve economie, de nieuwe industrie, onderwijs en wetenschap zijn er in kunst en cultuur voorbeelden van baanbrekend vakmanschap en innovatie te vinden: de Vlaamse films, modeontwerpers en -kunstenaars, de kunststeden. De nieuwe slogan van de Vlaamse Overheid, verbeelding werkt, beklemtoont de drijvende kracht van verbeelding voor innovatie in Vlaanderen.

 

Dit sluit aan bij de conclusies van de OESO n.a.v. een recent onderzoek ‘Art for Art’s Sake?’[1] “Mensen met een kunstopleiding spelen een significante rol in het opzetten van innovatieve processen. Inzetten op de kunsten wordt daardoor een onmiskenbare dimensie van de strategie die een land kan inzetten voor innovatie”. Economieën van de toekomst zullen in toenemende mate nood hebben aan niet-routine en niet-manuele skills. Toekomstige welvaart zal volgens de OESO in toenemende mate afhankelijk worden van innovatie en creativiteit. Het onderzoek toont een sterke correlatie aan tussen kunst in de opleiding aan de ene kant en academische resultaten en tewerkstelling in een innovatieve dienstensector aan de andere.

In tegenstelling tot wat vaak wordt aangenomen, zo gaat de OESO verder, staat aandacht voor kunsteducatie en humane wetenschappen innovatie niet in de weg. Integendeel: die OESO-landen die het hoogst scoren op de innovatie-index, bijvoorbeeld Zwitserland en Denemarken, zijn tevens  landen die in verhouding veel investeren in kunsteducatie en  humane wetenschappen.
De OESO ziet de relevantie van kunstonderwijs vooral in het verwerven van artistieke vaardigheden zelf. Daarbij mogen we vaardigheden niet beperken tot technische vaardigheden. Het gaat evenzeer over een ‘habit of mind’ een manier van denken en in het leven staan.

 

Naast het belang van kunstenaars voor innovatie ziet de OESO ook een rol weggelegd voor kunstonderwijs in het behoud en de overdracht van cultureel kapitaal naar de volgende generaties.

 

De OESO concludeert dat we ook in tijden van crisis en ook met het oog op economische innovatie en  creativiteit moeten blijven investeren in kunst- en cultuuronderwijs.

 

Vlaanderen heeft een grootse traditie van kunstonderwijs. Heel wat academies zijn al meer dan 200 jaar oud. Toch is het deeltijds kunstonderwijs (dko) meer dan ooit springlevend en in beweging. Academies leiden leerlingen op tot actieve kunstbeoefenaars die kunnen vertrouwen op hun artistiek vakmanschap, creativiteit en verbeeldingskracht. Recente ontwikkelingen in de kunsten hebben hun weg gevonden naar het dko en leiden tot innovatieve artistieke projecten (cross-over, mediakunst, …). Nieuwe evaluatiemethodieken zorgen ervoor dat de artistieke ontwikkeling van leerlingen als een geheel benaderd wordt en dat gerichte feedback het leerproces doorlopend kan bijsturen en voeden.

 

Leerkrachten en directeurs mogen trots zijn op wat hun academie te bieden heeft. De academie is het centrum van artistieke bedrijvigheid, niet alleen voor de leerlingen die er in hun vrije tijd les volgen, maar ook voor het lokale culturele leven. De vitaliteit van het dko wordt tastbaar in de vele tentoonstellingen, happenings en events die de academies jaarlijks organiseren. Het mag dan ook niet verwonderen dat lokale besturen kunstonderwijs belangrijk vinden en in vele gevallen al sinds jaar en dag grote inspanningen leveren om het financieel en op andere manieren te ondersteunen. Een sterk en zichtbaar dko is het vlaggenschip van een dynamische gemeente en regio die op cultureel en gemeenschapsvormend vlak floreert. Gezamenlijke initiatieven zoals de Dag van het dko kunnen rekenen op een grote opkomst en zorgen voor een positieve en actuele uitstraling van de academies in Vlaanderen en Brussel.

 

Leerkrachten en leerlingen willen een kunstonderwijs dat garant staat voor kwaliteit en tegelijk rekening houdt met de eigenheid van elke leerling, met zijn wisselende levensloop, met zijn interesses. Ze vragen een onderwijs dat vertrekt vanuit de talenten van de leerling en die ten volle tot ontplooiing laat komen. Een onderwijs dat zich op aanvaardbare afstand bevindt, dat toegankelijk en bereikbaar is.

 

De dynamiek van het dko staat in schril contrast met de verouderde juridische kaders waarin het moet werken. De regelgeving schrijft gelijkvormige leertrajecten voor. Die leertrajecten spelen te weinig in op de verschillende leervragen van leerlingen. Ze gaan voorbij aan de verschillende tijdsbestedingspatronen.

De einddoelen zijn neergeschreven in minimumleerplannen die meestal dateren van 1990. Ze bieden weinig ruimte voor nieuwe pedagogische inzichten of actuele ontwikkelingen in de kunsten. Voor sommige opleidingen ontbreken deze minimumleerplannen.

Al in 2003 concludeerde het Rekenhof dat de decretale regelgeving coherentie mist, in vele gevallen onduidelijk en vatbaar voor interpretatie is en op een aantal vlakken te weinig rechtszekerheid biedt (bijvoorbeeld rechten en plichten van leerlingen). Een aantal fundamentele aspecten van het deeltijds kunstonderwijs zijn via uitvoeringsbesluiten geregeld, terwijl ze eigenlijk een decretale grondslag vereisen.

 

Vlaanderen kent een rijk aanbod van formele, niet-formele en informele opleidings- en vormingsinitiatieven voor kunstbeoefenaars. Het dko bevindt zich op het raakvlak van Cultuur en Onderwijs. Hoewel de opleidingen in de vrije tijd plaats vinden, volgen leerlingen formele leertrajecten. Het leren is er ingebed in een structuur die einddoelen en de studieomvang vastlegt.

 

Naast kortlopende lessenreeksen of workshops waarin mensen kunnen proeven of zich verdiepen in een afgebakende materie (bv. a capella zingen)  en op korte termijn resultaat boeken is er in Vlaanderen behoefte aan een procesmatig leertraject, dat over meerdere schooljaren loopt, waarin mensen een bepaalde kunstdiscipline onder de knie krijgen en hierin ook als persoon kunnen groeien. Dergelijke opleidingen maken voor een groot stuk de eigenheid van het deeltijds kunstonderwijs uit. Het dko kan zich daardoor complementair verhouden ten opzichte van andere opleidingsverstrekkers in de domeinen Jeugd en Cultuur.

 

Nieuwe einddoelen en een geactualiseerde opleidingsstructuur moeten het dko sterker verankeren in het onderwijs. Tegelijk moet het nieuwe kader ook voldoende vrijheid laten voor de eigen artistieke en pedagogische invulling door de leerkrachten, rekening houdend met de pedagogisch-artistieke visie van de academie en de individuele ontplooiing van de leerlingen. Einddoelen moeten zo geformuleerd worden dat leerkrachten verschillende invalshoeken kunnen kiezen, een verschillend repertoire kunnen hanteren, andere pedagogische benaderingen kunnen gebruiken, … al naargelang de eigenheid van de leerling,  de leerkracht en de academie. De leerkracht als inspirerende persoonlijkheid is de motor van het artistiek leerproces.

 

Deze conceptnota wil het pad effenen naar een niveaudecreet voor het deeltijds kunstonderwijs dat in deze legislatuur in werking zal treden. Onze buurlanden benijden het deeltijds kunstonderwijs om zijn kwaliteit en toegankelijkheid. De Vlaamse Regering engageert zich voor beleidskeuzes die de huidige kwaliteit en toegankelijkheid van dit uniek onderwijsaanbod waarborgen. Deeltijds kunstonderwijs is volwaardig onderwijs. Een stevige verankering in het onderwijslandschap is dan ook evident, zoals onder meer de Vlaamse Onderwijsraad in eerdere adviezen beaamd heeft[2]. De doelgerichtheid die kenmerkend is voor onderwijs willen we bewaken. Heldere einddoelen en doelgerichte leertrajecten behoeden het dko voor vrijblijvendheid.

 

Tegelijk willen we meer ruimte creëren voor de creativiteit van leerkrachten en leerlingen, en de bewegingsvrijheid van de lokale schoolbesturen. De mogelijkheden voor academies om zelf een opleiding inhoudelijk en organisatorisch vorm te geven zullen toenemen en leiden tot meer pedagogische en artistieke vrijheid. Het spreekt voor zich dat waar de beleidskeuzes ook gevolgen hebben voor de personeelsregelgeving, die ook ter harte genomen zullen worden. Bovendien zullen de afspraken die in het loopbaandebat gemaakt worden, ook meegenomen worden naar het dko.

 

Vlaanderen heeft creatieve geesten nodig, mensen die buiten de lijntjes durven kleuren. Kunstonderwijs kan helpen om jongeren en volwassenen die mindset bij te brengen. Kunst draagt bij tot een duurzame en verbindende samenleving. Zo doen artistieke interventies in steden mensen heel anders kijken naar hun buurt. Het hoeft daarbij niet altijd om professionele kunstenaars te gaan. Ook amateurkunstenaars vervullen en sleutelrol. Zo tonen  amateurkunstenaars bijvoorbeeld in het licht van de herdenking van WO I in evocaties en optochten heel knappe dingen. Kunst en cultuur zorgen letterlijk voor stof tot nadenken en bieden kansen tot dialoog en nuancering. Maar kunst en cultuur doen ook stof opwaaien door bewust kanttekeningen te plaatsen.

 

Daarom wil de Vlaamse Regering  zich inzetten voor een stevige verankering van een hedendaags deeltijds kunstonderwijs in het beleidsdomein Onderwijs en op die manier bijdragen aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen, jongeren en volwassenen. De inspanningen van lokale besturen zijn van levensbelang voor de academies. We willen hen daarom meer ruimte en vertrouwen geven om hun eigen beleid te voeren.

 

2.    Stand van zaken

 

Gedurende twee legislaturen heeft de Vlaamse Overheid intensief een hervorming van het dko voorbereid. Verschillende experten uit het veld hebben in diverse werkgroepen voorstellen uitgewerkt. Het rapport Verdieping/Verbreding[3] schetste in 2008 als eerste de perspectieven voor een inhoudelijke vernieuwing van het dko. In maart 2011 werd de conceptnota Kunst Verandert![4], met goedkeuring van de Vlaamse Regering, aan het veld gepresenteerd. De tekst stelde de uitgangspunten voor de vernieuwing scherp: het dko wordt leerlinggericht, doelgericht en actueel. Competentiegericht onderwijs ingang doen vinden in het dko en aansluiten op de Vlaamse Kwalificatiestructuur werden als ambities naar voor geschoven. Ook voor studieomvang en omkadering werd een raamwerk uitgetekend. In de Discussietekst[5] van oktober 2012 werd de nieuwe opleidingsstructuur verder uitgewerkt.

 

In heel Vlaanderen werd over de verschillende teksten advies gevraagd: niet enkel aan de strategische adviesraden (o.a. de Vlaamse Onderwijsraad), maar ook aan de partners van de klankbordgroep en individueel geïnteresseerden tijdens provinciale infosessies. Alle reacties en feedback samen leidden tot een verfijning of bijsturing van de concepten. De toenmalige plannen om het dko grondig hervormen via een niveaudecreet, bleken zowel om budgettaire redenen als naar draagvlak onhaalbaar in de voorbije regeerperiode.

 

Als proactieve maatregel gingen in september 2012 pilootprojecten rond drie thema’s van start: de domeinoverschrijdende focus in de initiatieopleiding voor zes- en zevenjarigen, de wisselwerking en inhoudelijke afstemming tussen de verschillende componenten van de muziekopleiding in de lagere graad en de competentiegerichte evaluatie van leerlingen. De pilootprojecten zijn erin geslaagd om een tot dan toe vooral beleidsmatig discours te vertalen naar de klaspraktijk en mensen in het veld aan te sporen om verder na te denken over hun eigen werking en vanuit een vernieuwde inspiratie aan de slag te gaan. Daardoor is het draagvlak bij leerkrachten en directeurs voor de uitgangspunten gevoelig toegenomen.

 

Een belangrijke mijlpaal was de ontwikkeling van een studieprofiel kunstonderwijs en vervolgens de basiscompetenties voor de eerste en tweede graad die in juni 2013 werden afgerond. Deze einddoelen zorgden voor een tastbare concretisering van de inhoudelijke vernieuwing. Heel wat experten uit het dko en belanghebbenden (pedagogische begeleiders, leerkrachten, directeurs, academici en lerarenopleiders) waren in het ontwikkelproces  betrokken, waardoor de link met de dagelijkse praktijk nooit veraf was.

 

3.    Naar een niveaudecreet dko

 

  • Waarom?

 

 

Het dko is een unieke opleidingsvorm. Leerlingen van alle leeftijden kiezen er bewust voor om in hun vrije tijd, vaak bovenop en buiten de school- of werkuren, een kunstopleiding te volgen in de academie. Met recht en reden mogen we zeggen dat het dko een solide reputatie heeft in het organiseren van hoogkwalitatieve opleidingen. De gedrevenheid en artistieke expertise van leerkrachten en directeurs liggen aan de basis van dit succes.

 

Met het niveaudecreet willen we een driedubbele ambitie waarmaken: vereenvoudiging van de regelgeving, stevige verankering in Onderwijs en verbinding met de kunsten en het kleuter- en leerplichtonderwijs

 

Vereenvoudiging van de regelgeving

De huidige regelgeving voor het deeltijds kunstonderwijs is verspreid over verschillende decreten en besluiten. Een aantal aspecten zijn enkel in een omzendbrief geregeld. In de loop van 25 jaar zijn er heel wat ad hoc wijzigingen doorgevoerd waardoor de regelgeving nog maar weinig coherentie vertoont. Kenmerkend is ook de overregulering van bepaalde aspecten  en lacunes op andere vlakken. Bovendien is de regelgeving op heel wat vlakken erg complex.

 

We willen het dko voor het einde van deze legislatuur een coherente, transparante juridische basis geven die bovendien de planlast van academies en hun personeelsleden vermindert. In die zin past een dko-hervorming ook binnen de doelstellingen van Operatie Tarra, waarmee we planlast willen aanpakken en regelluwte creëren. We kiezen bewust voor sobere regelgeving die de onderwijsvrijheid van schoolbesturen niet dichttimmert met allerlei procedures en voorwaarden, maar die leerlingen en personeelsleden wel voldoende rechtszekerheid biedt.

 

Tegelijkertijd willen we het dko ook inhoudelijk moderniseren zodat het meer ruimte biedt aan de creativiteit van leerkrachten en beter aansluit bij de leerverwachtingen van leerlingen in de 21ste eeuw.

 

We geven nadrukkelijk meer ruimte op het organisatorische vlak. De Vlaamse Overheid heeft vertrouwen in de schoolbesturen, academies en directeurs en geeft hen dan ook verantwoordelijkheid. Dko is een sterk lokaal verhaal, dat optimaal werkt wanneer de lokale schoolbesturen de handen in elkaar slaan met de Vlaamse Overheid. Meer lokale autonomie impliceert dat de Vlaamse regelgever niet te detaillistisch reguleert.

 

Stevige verankering in Onderwijs

Dko is door de regelgever verankerd als een volwaardige onderwijsvorm, wat o.m. betekent dat de vrijheid van onderwijs (zoals vastgelegd in de Grondwet) er geldt. Toch kent het deeltijds kunstonderwijs tot op vandaag in tegenstelling tot bijvoorbeeld het basisonderwijs geen eigen niveaudecreet.

 

De erkenning als onderwijs impliceert ook dat de overheid een duidelijk kader ontwerpt over onder meer financiering(svoorwaarden) en oprichting van nieuw opleidingsaanbod en nieuwe structuuronderdelen (programmatie) (zie ook de opmerkingen van het Rekenhof en de Vlaamse Onderwijsraad hieromtrent). Ze zorgt er ook voor dat de Overheid het vrije initiatief om dko aan te bieden respecteert en zo weinig mogelijk inperkt. Het komt toe aan het Vlaams Parlement om de fundamentele aspecten van het onderwijs te regelen. Als er inperkende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld programmatievoorwaarden) dan moeten die afgewogen worden ten opzichte van het algemeen belang (bijvoorbeeld de Vlaamse begroting). De programmatiestop willen we vervangen door een regelgeving die academies weer ademruimte geeft en tegelijk de financiering ervan door de Vlaamse Overheid beheersbaar houdt en dus veilig stelt voor de toekomst.

 

De erkenning van dko als volwaardig onderwijs betekent ook dat leerlingen na het succesvol doorlopen van een leertraject een kwalificatie moeten kunnen behalen. De uitgereikte studiebewijzen moeten een ‘civiel effect’ hebben dat de leerlingen in hun latere activiteiten buiten het dko daar waar relevant kunnen inzetten.

 

Verbinding met de kunsten en het kleuter- en leerplichtonderwijs

Academies zijn allang geen ivoren torens meer. Voor het deeltijds kunstonderwijs zijn de evoluties in de kunsten, zowel de amateurkunsten als professionele kunsten van groot belang. We willen bewust op zoek gaan naar die synergie en de dialoog tussen het dko en deze sectoren aanmoedigen. Eigen aan de kunsten is dat het een heel divers en dynamisch veld is. Betrokkenheid op het artistieke veld brengt die dynamiek en diversiteit ook in de academies.

 

In het licht van het levenslang leren van kunstbeoefenaars liggen er in samenwerking en wederzijdse afstemming mooie kansen voor dko en kunstenorganisaties die inzetten op kunsteducatie. Met de amateurkunsten heeft het dko van nature een sterke band. De wisselwerking tussen amateurkunsten en dko willen we in het niveaudecreet expliciteren in zijn maatschappelijke opdracht en in de einddoelen.

 

Ten slotte onderstrepen we het verband tussen kunstonderwijs, cultuureducatie  en cultuurparticipatie. Ruimer dan dko alleen zien we cultuureducatie in het Onderwijs als een belangrijke hefboom. Onderwijs heeft een niet te onderschatten emancipatorische kracht op dat vlak, vooral voor kinderen en jongeren met een sociale achtergrond  die minder cultuur- en kunstminded is. Heel wat kinderen en jongeren ontdekken theater, literatuur en musea via de school. Naast leren over kunst moet onderwijs leerlingen vooral prikkelen en inspireren om zelf kunst te ontdekken. Leerkrachten in het kunstonderwijs zijn zelf kunstenaars en dus goed geplaatst om de vonk te laten overspringen.  Zij kunnen hun collega’s van basis- of secundair onderwijs inspireren en ondersteunen  op het vlak van muzische vorming en leerlingen op een laagdrempelige manier laten kennis maken met een kunstopleiding.

 

 

  • Inhoudelijke krachtlijnen

 

 

Het intensieve denkwerk dat een grote groep mensen uit het werkveld en de Vlaamse Overheid hebben geleverd in de voorbije legislaturen vormt een waardevol startpunt om het niveaudecreet vorm te geven.

 

Vertrekkend van het Vlaamse regeerakkoord en de beleidsnota Onderwijs 2014-2019 wil deze conceptnota een aantal inhoudelijke krachtlijnen naar voor schuiven. De beleidsnota zegt het volgende:

 

Kunst- en cultuur(educatie) beschouw ik als een essentieel onderdeel van het onderwijs. Ze zijn van wezenlijk belang voor de persoonlijke en sociale ontwikkeling van alle betrokkenen. Samen met mijn collega bevoegd voor Cultuur wil ik de synergie tussen de actoren uit onderwijs en cultuur blijven bevorderen, alsook werk maken van een actualisering van het deeltijds kunstonderwijs waarbij de link tussen het deeltijds kunstonderwijs en de amateurkunsten niet uit het oog wordt verloren. Ik zie de rol van de overheid vooral in het sensibiliseren en inspireren vanuit overleg en samenwerking met andere actoren zoals het leerplichtonderwijs, vrije tijdsactoren en lokale besturen. Hierbij moet er voldoende vrijheid zijn tot het opzetten van verschillende organisatievormen, leeromgevingen en alternatieve leercontexten. 

Kinderen, jongeren en volwassenen met een interesse en aanleg voor kunst moeten ook terecht kunnen in een deeltijds kunstonderwijs dat aansluit bij de kunstwereld en cultuurbeleving van de 21ste eeuw. In samenspraak met deskundigen uit de sector moderniseer ik de einddoelen. In nauw overleg met alle betrokken actoren maak ik werk van een niveaudecreet. Dit moet een vereenvoudigd en coherent juridisch kader bieden en schoolbesturen voldoende uitdagen om een eigen beleid te ontwikkelen.

Een van de sterktes van het huidige deeltijds kunstonderwijs is de goede regionale spreiding van de leslocaties. Toch zijn er tussen gemeentes onderling grote verschillen. Ik streef ernaar dat iedereen binnen een redelijke afstand een gepaste opleiding kan volgen. Tegelijk wil ik de samenwerking tussen de verschillende academies en de samenwerking met lokale culturele actoren, basis- en secundaire scholen in een regio stimuleren.

 

We willen in deze legislatuur op de eerste plaats een transparant en sober niveaudecreet voor het dko realiseren, dat voor alle betrokkenen een solide basis vormt om het kunstonderwijs vorm te geven. Om tot zo’n niveaudecreet te komen, schuiven we tien krachtlijnen naar voor:

  1. Een sober en helder niveaudecreet realiseren
  2. De einddoelen actualiseren en concretiseren
  3. De opleidingsstructuur actualiseren
  4. De onderwijsvrijheid respecteren door de programmatiestop op te heffen en te vervangen door een doelmatige  programmatieregelgeving
  5. De huidige budgettaire ruimte optimaler benutten
  6. Samenwerking met kleuter- en leerplichtonderwijs stimuleren
  7. Samenwerking met de lokale culturele actoren, amateurkunsten, kunsteducatieve organisaties en kunstinstellingen stimuleren
  8. Planlast aanpakken: verminderen van de bewijslast voor leerlingen en academies
  9. Planlast aanpakken: de geldstromen tussen Vlaamse Overheid en academies vereenvoudigen en reduceren
  10. Anticiperen op personeelsgevolgen

 

Niet alle ambities die leven bij leerkrachten en directeurs, hoe waardevol en terecht ze ook zijn, zullen in deze legislatuur gerealiseerd kunnen worden. Voorlopig komt enkel het huidige opleidingsaanbod terecht in de geactualiseerde opleidingsstructuur. De budgettaire ruimte ontbreekt om een domeinoverschrijdende muziek- en dramaopleiding voor 6- en 7-jarigen (1e graad)  of specifieke doorstroomopleidingen voor leerlingen die zich voorbereiden op hoger kunstonderwijs vanuit de Vlaamse Overheid te financieren. Dat doet niets af van de inhoudelijke waarde of maatschappelijke relevantie van zulke opleidingen, noch van de expertise die leerkrachten en pedagogische begeleiders in het pilootproject Kunstenbad hierin hebben opgebouwd. Schoolbesturen die de opleidingen met eigen middelen willen (blijven) organiseren, kunnen dat uiteraard blijven doen. Het niveaudecreet zal zo ontworpen worden dat deze opleidingen n een later stadium nog ingepast kunnen worden in de opleidingsstructuur.

 

Ook een extra beleidskader zal niet meteen gerealiseerd kunnen worden.. Dat we nu geen extra beleidsomkadering kunnen toekennen, betekent niet dat er geen maatregelen komen om de werk- en planlast voor directeurs en schoolbesturen terug te dringen. Het terugdringen van planlast past voor een stuk in de oefening van vereenvoudiging van de regelgeving (o.a. Operatie Tarra).

 

We bekijken de tien krachtlijnen van naderbij.

 

  • Een sober en helder niveaudecreet realiseren

 

De eerste prioriteit is het dko een eigen niveaudecreet geven, dat leerkrachten, directeurs en schoolbesturen tegelijkertijd duidelijkheid verschaft en ruimte geeft om hun leerlingen ook in de toekomst kwaliteitsvol kunstonderwijs te kunnen laten genieten.

 

Het niveaudecreet moet, in tegenstelling tot de huidige dko-regelgeving, coherent en transparant zijn en moet alle actoren rechtszekerheid bieden. Die doelstellingen impliceren een vereenvoudiging, een verduidelijking en een vernieuwing van de regelgeving. Een vereenvoudiging omdat de regelgeving nu zeer versnipperd is over verschillende teksten en omdat een aantal topics overdreven gedetailleerd geregeld zijn. Een verduidelijking omdat heel wat bepalingen verschillende interpretaties openlaten en er voor een aantal noodzakelijke aspecten weinig of zelfs helemaal niets bepaald is. Een vernieuwing omdat het huidige kader na een kwarteeuw ook inhoudelijk niet meer aansluit bij het hedendaags kunstonderwijs.

 

De volgende negen krachtlijnen vormen elk een deel van het verhaal van het niveaudecreet. Ook deze prioriteiten zullen dus doorspekt zijn van vereenvoudiging, verduidelijking en vernieuwing.

 

  • De einddoelen actualiseren

 

In tegenstelling tot andere onderwijsniveaus bestaan er voor het dko geen eindtermen of ontwikkelingsdoelen. In 1990 bij de inwerkingtreding van de huidige regelgeving heeft de Vlaamse Overheid minimumleerplannen ontwikkeld. Niet alleen zijn de minimumleerplannen sterk verouderd, ze zijn ook onvolledig en weinig samenhangend. Daardoor kunnen ze niet meer als ijkpunt voor de onderwijskwaliteit dienen, met als gevolg dat leerkrachten ze niet als een stevig anker (kunnen) ervaren om hun praktijk op te enten en vorm te geven. De erkenning van het dko als volwaardig onderwijs impliceert nochtans dat ook de einddoelen ervan in regelgeving verankerd worden (zie ook het Rekenhof en de Vlaamse Onderwijsraad daarover).

 

Transparante einddoelen scheppen duidelijke verwachtingen, ook naar de leerlingen. Leerlingen weten welke competenties ze zullen verwerven. Eens afgestudeerd kunnen ze die competenties inzetten in verschillende contexten: de vrije tijd, het hoger (kunst)onderwijs of zelfs de arbeidsmarkt. Zelfs wie niet voor een artistiek beroep kiest, verwerft in het dko competenties die professioneel en in de vrije tijd relevant zijn.

Een coherent kader van einddoelen is essentieel om de kwaliteit en gelijkgerichtheid van het onderwijs veilig te stellen. Nieuwe doelen laten het dko aansluiten bij de actuele evolutie in de kunsten en de gewijzigde maatschappelijke verwachtingen ten aanzien van het dko. De sterktes van het huidige dko worden behouden maar de ambities worden ruimer. Artistiek vakmanschap zal hand in hand gaan met een onderzoekende houding en durf tot innovatie en experiment.

 

We zien het dko van de toekomst als kwalificerend onderwijs waarin leerlingen via doelgerichte leertrajecten een afgerond geheel van maatschappelijk relevante artistieke competenties bereiken. De gerichtheid op amateurkunstbeoefening of een creatief beroep wordt explicieter. Dit zal de maatschappelijke positie van het dko versterken.

 

In 2012 hebben deskundigen van het hoger kunstonderwijs, het dko, het kunstsecundair onderwijs en de artistieke sector een studieprofiel kunstonderwijs ontwikkeld. Dit studieprofiel vormt de leidraad bij het ontwikkelen van de basiscompetenties voor de eerste, tweede en derde graad.

Het studieprofiel kunstonderwijs bestaat uit zes kerncompetenties:

  • individuele gedrevenheid tonen: de leerling vertrouwt op eigen expressiemogelijkheden en wil zijn creatieve resultaten tonen;
  • creëren en (drang tot) innoveren: de leerling komt actief en uit zichzelf met artistieke vormgevingen, benaderingen en inzichten;
  • vakdeskundigheid inzetten: de leerling zet verworven kunstvormspecifieke kwaliteiten in bij het gebruik van een artistieke uitdrukkingsvorm;
  • onderzoeken: de leerling analyseert, reflecteert en communiceert over proces en product;
  • relaties bouwen en samenwerken: de leerling kan eigen talent en deskundigheid ten dienste stellen van het gemeenschappelijk artistiek doel of project;
  • presenteren: de leerling toont proces en/of product aan een publiek.

Van belang is dat deze zes kerncompetenties vanaf de start het leerproces sturen en stap voor stap tot ontwikkeling komen, waarbij ze als tandwielen in mekaar grijpen: het ene wiel kan niet sneller draaien dan het andere, haperingen in het ene wiel hebben een invloed op het andere. We kiezen dus bewust voor geleidelijkheid en gelijkmatigheid.

De meeste leerlingen volgen dko om kunst te beoefenen in de vrije tijd. Daarnaast zijn er leerlingen die aan de slag gaan in een creatief artistiek beroep (bijvoorbeeld stadsbeiaardier, kunstambacht, juweelontwerper). Een kleine minderheid stroomt na het deeltijds kunstonderwijs door naar een vervolgopleiding in het hoger kunstonderwijs. Wat de leerlingen leren moet relevant zijn voor de context waarin ze na hun opleiding terechtkomen. Voor de opleidingen op het einde van het leertraject zullen de einddoelen bepaald worden door beroepskwalificaties.

 

Een beroepskwalificatie is een afgerond geheel van maatschappelijk relevante artistieke competenties (amateurkunsten, ambachten, artistieke beroepen). De beroepskwalificaties worden ontwikkeld door de sector waarin de afgestudeerden terecht komen. Voor het dko zijn dat socio-culturele sector (o.a. de amateurkunsten), de sectorfondsen en de beroepsfederaties die de artistieke beroepsbeoefenaars vertegenwoordigen. Het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen (AHOVOKS) zal dit proces begeleiden.

 

In het licht van kunstbeoefening in de vrije tijd komt het wat eigenaardig over om van een ‘beroep’ te spreken. Hoewel een aantal opleidingen wel degelijk een arbeidsmarktgerichte finaliteit hebben (bv. kunstambachten, beiaard), is een amateurkunstenaar natuurlijk geen ‘beroep’ in de gangbare betekenis van het woord. In dit geval verwijst ‘beroep’ naar de maatschappelijke rol die iemand opneemt. Een beroepskwalificatie is dan het geheel van competenties om die maatschappelijke rol te vervullen.

 

De nieuwe einddoelen vormen voor leerplanmakers een hefboom om heldere en gebruiksvriendelijke leerplannen te ontwikkelen, waarmee de leerkrachten in de klas aan de slag kunnen om vanuit hun eigen inspiratie hun lessen mee vorm te geven en waarop academies hun pedagogisch-artistiek project kunnen enten. De inspectie kan zich beroepen op een duidelijk referentiekader om de kwaliteit van opleidingen en leercontexten te beoordelen.

 

  • De opleidingsstructuur actualiseren

 

Met het oog op competentiegericht onderwijs willen we tot één coherente, logisch opgebouwde opleidingsstructuur komen die zowel beeldende kunst als podiumkunsten op het lijf geschreven is.  Het niveaudecreet zal de opleidingsstructuur afstemmen op de competentiegerichte benadering in de einddoelen.

 

We willen een opleidingsstructuur waarmee academies kunnen inspelen op nieuwe maatschappelijke evoluties, o.a. de evolutie van de kunsten: mediakunst, interdisciplinariteit, maar ook de flexibelere tijdsinvestering en –organisatie van mensen in de vrije tijd. Ontwikkelingen die zich in het hele Vlaamse onderwijs voordoen willen we ook vertalen naar het dko. Ten slotte moet de regelgeving ruimte en autonomie geven aan opleidingsverstrekkers (leerplanmakers en academies) om de opleidingenarchitectuur (indeling in vakken) binnen bepaalde kaders zelf vorm te geven (bijvoorbeeld bij het samenstellen van het lessenrooster).

 

We willen tegelijk de regelgeving vereenvoudigen en versoberen. De tweedeling in verschillende uitvoeringsbesluiten voor podiumkunsten vs. beeldende kunsten leidt tot een complexe regelgeving met veel dubbele en (gedeeltelijk) overlappende bepalingen.

In sommige gevallen komt de huidige structuurindeling niet overeen met de inhoud en het niveau van de opleidingen (bijvoorbeeld de middelbare graad beeldende kunst is een eindniveau voor jongeren, de hogere graad beeldende kunst een beginnersniveau voor volwassenen). Ook in die gevallen willen we de graduele opbouw van leertrajecten beter zijn weerslag laten vinden in de structuur, zodat die opbouw voor de leerlingen en leerkrachten duidelijk en transparant is.

 

De aanpassingen van de regelgeving die in het verleden zijn ingebouwd, zonder het geheel in vraag te stellen en te herbekijken, hebben geleid tot vrij versnipperde en weinig coherente regelgeving, waarin mensen uit werkveld maar moeilijk hun weg vinden.

Voor de opleidingen die buiten de organieke structuur bevinden, willen we bekijken of ze kunnen opgenomen worden in de nieuwe opleidingsstructuur.

 

Voor de nieuwe opleidingsstructuur  vertrekken we niet van een blanco blad. We willen behouden wat goed is en waar mogelijk aansluiten bij de huidige opbouw van de leertrajecten, zodat het geheel voor leerlingen en leerkrachten herkenbaar blijft (een bezorgdheid die ook de Vlaams Onderwijsraad geformuleerd heeft[6]).

 

De brede, competentiegerichte ontwikkeling die in de einddoelen vervat zit, manifesteert zich inhoudelijk in de opbouw van de leertrajecten. Een leertraject vertrekt vanuit een brede basis waarbij artistieke initiatie en oriëntatie in het brede spectrum van de kunstbeoefening centraal staan. Gaandeweg komt meer ruimte voor specialisatie. Net als vandaag zullen gevorderde leerlingen kunnen kiezen uit  een waaier aan opleidingen en keuzemogelijkheden in die opleidingen (cf. huidige opties). Op die manier voltrekt zich doorheen het leerproces een logisch opgebouwd en gericht zoekproces naar de eigenheid en het talent van de leerling.

 

De geactualiseerde opleidingsstructuur zal vijf domeinen (beeld, dans, drama, mediakunst en muziek) en vier graden omvatten. In de derde  en vierde graad  worden domeinen verder ingedeeld in verschillende opleidingen. Binnen de opleidingen zijn er nog verschillende keuzemogelijkheden.

 

Opleidingen bevinden zich in één welbepaalde graad. Opleidingen die inhoudelijk op elkaar aansluiten vormen een leertraject. Elke leerling met een minimale instapleeftijd van zes jaar kan starten met beeld of dans. Vanaf acht jaar kan hij ook starten met drama, mediakunst of muziek. Afhankelijk van de ‘rugzak’ met competenties waarmee hij aankomt in het dko, start hij in de meest aangewezen graad. Als hij een graad succesvol heeft afgerond, behaalt de leerling een certificaat. Op het einde van het leertraject verwerft de leerling een beroepskwalificatie.

 

  • De onderwijsvrijheid respecteren door de programmatiestop op te heffen en te vervangen door een doelmatige  programmatieregelgeving

 

De Vlaamse Overheid erkent deeltijds kunstonderwijs expliciet als onderwijs. Dat betekent dat de vrijheid van onderwijs, zoals geformuleerd in de Grondwet, ook voor het dko geldt. De vrijheid van onderwijs garandeert aan schoolbesturen dat zij, onder bepaalde voorwaarden, dko kunnen aanbieden en hier subsidiëring voor kunnen krijgen.

 

Kenmerkend voor het dko is de belangrijke rol van lokale besturen. Steden en gemeenten zijn in 91% van de gevallen het schoolbestuur van de academie en de meeste van hen investeren ook extra middelen (o.a. voor infrastructuur) en personeel in het dko, bovenop de middelen die de Vlaamse Gemeenschap toekent. Ook het GO! en het KOV doen extra inspanningen.

 

Tussen gemeenten onderling zijn er sterke verschillen in het opleidingsaanbod. In sommige gemeenten vindt men een veelzijdig aanbod zowel voor jongeren als volwassenen. Daarnaast zijn er gemeenten met een gelijkaardig morfologisch of functioneel profiel met geen of een zeer beperkt aanbod.

 

Een strikte programmatieregelgeving in combinatie met een programmatiestop laat de oprichting van nieuwe leslocaties of de vernieuwing van het opleidingsaanbod slechts in zeer beperkte mate toe. De programmatiestop, weliswaar met afwijkingen, perkte gedurende de laatste 4 schooljaren de opvulmogelijkheden van blinde vlekken verder in. De programmatiestop blijven handhaven zou een conflict genereren met de onderwijsvrijheid en maakt het aanbieders heel erg moeilijk om een dynamisch beleid te voeren voor wat het opleidingsaanbod betreft. Het is dus zowel om juridische als inhoudelijke redenen aangewezen om de programmatiestop op te heffen en te vervangen door een nieuwe programmatieregelgeving die tegelijk ruimte en duidelijkheid schept.

 

Door de schoolbesturen meer beleidsruimte te geven op het vlak van de organisatie van het landschap wil de Vlaamse Overheid inspanningen die schoolbesturen leveren voor het dko meer honoreren. Bovendien kunnen lokale besturen korter op de bal spelen: ze kunnen opportuniteiten op vlak van infrastructuur beter benutten (bijvoorbeeld multifunctionele infrastructuur) of inspelen op wijzigingen in de leerlingenstromen (gewijzigde instroom en uitstroom van leerlingen in specifieke opleidingen, leeftijdscategorieën, doelgroepen, … ten gevolge van verschillende factoren of bijvoorbeeld de bouw van een nieuwe wijk met vele jonge gezinnen).

 

De mate waarin de Vlaamse Overheid sterk de organisatie van het werkingsgebied van een academie mee bepaalt (welke opleidingen biedt een academie waar aan) willen we aanzienlijk  terugschroeven. Daar staat tegenover dat er mechanismes gevonden moeten worden om de groei van het dko op macroniveau, over alle academies heen bekeken, budgettair beheersbaar te houden. Op die manier kan er meer ruimte ontstaan voor lokale autonomie en kunnen gemeenten met een onvolledig aanbod een inhaalbeweging maken, maar vermijden we een budgettaire ontsporing.

 

  • De huidige budgettaire ruimte optimaler benutten

 

De kunsten en dus ook het kunstonderwijs worden alsmaar meer maatschappelijk relevant. Het is evident dat de Vlaamse maar ook lokale overheden er financiële middelen in investeren. Door de huidige financieel-economische situatie staat de investeringsruimte van zowel centrale als lokale besturen echter onder druk en worden zij gedwongen keuzes te maken en in te zetten op een zo efficiënt mogelijke inzet van de beschikbare middelen.

 

Binnen het huidige budgettair kader van het dko (lonen en werkingsmiddelen met inbegrip van de tijdelijke projecten en de pilootprojecten) kunnen een aantal middelen efficiënter benut worden. Door een aantal financieringsmiddelen om te buigen en middelen te verschuiven, komt er ruimte voor het invullen van blinde vlekken en de actualisering van het opleidingsaanbod.

 

We willen bekijken of schoolbesturen (een deel van) hun omkadering flexibeler kunnen inzetten. Op dit moment kunnen we nog niet ingaan op de concrete, precieze financieringsmechanismen. In de loop van het beleidsvoorbereidende proces zullen die mechanismen vorm moeten krijgen en onderzoeken we hoe en welke financieringsmechanismen tegemoet kunnen komen aan de vraag naar meer autonomie in de organisatie van DKO.

 

Het deeltijds kunstonderwijs wordt voor het overgrote deel gefinancierd met publieke middelen, Vlaamse maar ook lokale. De bijdrage van de leerling in de vorm van het inschrijvingsgeld bedraagt 8,2 % van de totale kosten voor de Vlaamse Overheid. De hoogte van de inschrijvingsgelden houden we deze legislatuur ongewijzigd. Verder onderzoek naar een toekomstig billijk evenwicht   in het bepalen van de verhouding van het publieke en private aandeel in de kosten van DKO wordt gevoerd.

 

  • Samenwerking met kleuter- en leerplichtonderwijs structureel verankeren

 

Heel wat kinderen en jongeren vinden vandaag de weg naar het dko niet omdat zij in een socio-economisch milieu leven waar deelname aan het dko geen evidentie is. Nochtans kan een dko-opleiding voor velen onder hen zinvol zijn, niet enkel als hobby, maar ook als hefboom voor een hoger welbevinden en een betere integratie in de maatschappij. Daarnaast zijn heel wat scholen van kleuter- en leerplichtonderwijs vragende partij voor ondersteuning op het vlak van kunst- en cultuureducatie door artistieke professionals. Het voor de hand liggende partnerschap tussen academies en hun naburige scholen willen we dan ook structureel verankeren. Zo erkent de Vlaamse Overheid het engagement dat heel wat academies en lokale besturen op dat vlak nemen. Academies zullen hun maatschappelijke relevantie kunnen versterken, doordat ze (de talenten van) kinderen en jongeren die anders weinig of niet in contact komen met kunst en cultuur toch op een laagdrempelige maar kwaliteitsvolle manier kunnen aanspreken. De artistiek-pedagogische expertise van de leerkrachten zal ten goede komen aan een ruimere groep kinderen en jongeren.

 

Zowel voor de scholen als academies betekent samenwerking met de naaste buren een win-win. Professionaliseringinitiatieven voor leerkrachten kunnen in de school of naburige academie plaatsvinden. Omgekeerd is het voor academies interessant voet aan de grond te krijgen in de scholen van hun rekruteringsgebied, dit met het oog op toeleiding en doorstroom van leerlingen en inhoudelijke afstemming. Maar ook het uitwisselen en delen van infrastructuur kan  win-wins creëren. Multifunctionele schoolinfrastructuur is niet alleen kostenefficiënter maar levert ook het voordeel van noodzakelijke interactie tussen dko en het kleuter- en leerplichtonderwijs op.

 

Lokale verankering van de samenwerking tussen academies en scholen is een belangrijk uitgangspunt. Top-down deze samenwerking opleggen, garandeert geen win-winsituatie. Verschillende vormen van samenwerking moeten kunnen groeien op vrijwillige basis onder impuls van de lokale schoolbesturen en andere actoren.

 

  • Samenwerking met de lokale culturele actoren, amateurkunsten, kunsteducatieve organisaties en kunstinstellingen stimuleren

 

Meer dan 95% van de dko-leerlingen beoogt geen vervolgopleiding in het hoger kunstonderwijs. De belangrijkste maatschappelijke finaliteit van het dko is dus kunstbeoefening in de vrije tijd. Het dko draagt bij tot de persoonlijke ontwikkeling van het individu (levenslange kunstbeoefening), maar is ook van belang voor de amateurkunstverenigingen. Kwaliteitsvolle en hedendaagse opleidingen dragen rechtstreeks bij tot de kwaliteitsbevordering en dynamiek in deze sector. De wisselwerking met de lokale amateurkunsten (zowel georganiseerd als projectmatig als individueel) moet voor alle academies een vanzelfsprekend gegeven worden. Daarbij denken we verder dan toeleiding van dko-afgestudeerden naar de amateurkunstverenigingen. Tieners en volwassenen zijn vaak al als amateurkunstenaar aan de slag voor of terwijl ze naar de academie komen.

 

Ook interactie met andere aanbieders van kunstopleidingen in de socio-culturele en kunsteducatieve sector vinden we een interessant denkspoor. In samenspraak met de minister van Cultuur willen we opleidingsverstrekkers in de verschillende beleidsdomeinen stimuleren om elkaar te ontdekken als complementaire partners.

 

  • Planlast aanpakken: verminderen van de bewijslast voor leerlingen en academies

 

We willen dat alle leerlingen die recht hebben op een verminderd tarief voor het inschrijvingsgeld ook effectief het verminderde tarief betalen. Daarom moet de bewijslast om van het verminderd tarief voor inschrijvingsgeld te kunnen genieten, zo weinig mogelijk bij de leerling liggen. Op die manier verminderen we de administratieve last voor de leerling. We bekijken ook in hoeverre we de administratieve last voor de academies kunnen verlichten. Daarom bekijken we hoe we naar een meer automatische bewijsvoering kunnen evolueren.

 

Zonder het aantal rechthebbenden uit te breiden, willen we de kortingscategorieën onder de loep nemen met het oog op het verder terugdringen van de bewijslast.  De Vlaamse Overheid detecteert zelf zoveel mogelijk de rechten van een leerling zonder dat die zelf actie moet ondernemen (zich verplaatsen, formulieren invullen, …). We maken ook zoveel mogelijk gebruik van bestaande attesten die geldig zijn in andere levensdomeinen.

 

  • Planlast aanpakken: de geldstromen tussen Vlaamse Overheid en academies vereenvoudigen en reduceren

 

Voor academies, schoolbesturen en Vlaamse Overheid leidt de inning van het inschrijvingsgeld tot complexe en tijdrovende administratieve processen. De academies innen het inschrijvingsgeld en storten het door naar het Vlaams ministerie van Onderwijs en Vorming in de maand november. De inschrijvingsgelden komen terecht in een fonds toegewezen ontvangsten waarmee het volgende schooljaar een deel van de lonen van het dko-personeel betaald worden.

 

Een belangrijk nadeel van de huidige werkwijze is het uitgebreide en versplinterde betalingsverkeer tussen academies en de Vlaamse Overheid,  in een betaalperiode die in de praktijk loopt van 15 november tot 15 april. Op 15 november storten alle academies het inschrijvingsgeld door dat berekend is op hun niet geverifieerd leerlingenbestand. Het nadien verifiëren van alle leerlingen geeft aanleiding tot heel wat correcties, zodat in ongeveer de helft van de gevallen de academies nog een klein saldo moeten bijbetalen (of terugkrijgen) na afsluiting van het verificatieproces op 1 februari.

 

We willen onderzoeken hoe we de geldstromen tussen de Vlaamse Overheid en academies kunnen vereenvoudigen en reduceren.

 

  • Anticiperen  op personeelsgevolgen

 

Het personeel van het dko behoort ten volle tot het onderwijspersoneel. In de gesprekken omtrent het loopbaandebat zal het personeel van het dko dan ook meegenomen worden. Vernieuwingen inzake personeelsbeleid die in het loopbaandebat afgesproken worden, willen we ook in het dko invoeren. Naarmate het loopbaandebat tot nieuwe principes leidt (bv. inzake verlofregeling), moeten die ook in dko ingepast worden. Daar willen we in deze nota inhoudelijk niet op vooruit lopen.

 

Het invoeren van een geactualiseerde opleidingsstructuur heeft onvermijdelijk een impact op het personeel en moet voor een vlotte overgang begeleid worden met enkele maatregelen.

 

Er zal een koppeling gelegd moeten worden tussen de nieuwe opleidingsonderdelen en de vakken van de opleidingen die er de voorloper van waren. Voor de leerkrachten zullen die concordanties zorgen voor een naadloze overgang naar hun plek in de nieuwe structuur. De onderwijsbevoegdheid van de leraars wordt bepaald per opleidingsonderdeel en waar nodig per specialiteit daarbinnen. Het dko blijft nauw verbonden met het hoger kunstonderwijs, waar de kunstenaar-leraars opgeleid worden die het dko waarmaken. De wisselwerking tussen de beide onderwijsniveaus willen we ook verder stimuleren.

 

 

Verschuivingen van opleidingen in de opleidingsstructuur kunnen personeelsgevolgen hebben. Hier zullen we zorgzaam mee omgaan, met aandacht voor de menselijke maar ook budgettaire gevolgen. De nieuwe opleidingsstructuur, die eerder voorbereid werd en nog verder op punt gezet wordt, vormt het uitgangspunt voor de begeleidende personeelsmaatregelen. Vergelijking met de huidige opleidingsstructuur moet een beeld opleveren van de verschuivingen.

 

 

Plan van aanpak en timing

 

Heel wat mensen uit het werkveld hebben in de voorbije legislatuur feedback gegeven op de initiële concepten. Met die verfijningen en bijsturingen willen we zoveel mogelijk rekening houden (onder meer de adviezen van de VLOR). Ook in deze legislatuur willen we met deskundigen uit het werkveld in dialoog te gaan. Het uiteindelijke niveaudecreet  zal altijd een evenwichtsoefening blijven tussen verschillende verwachtingen en belangen.

 

De weg naar een niveaudecreet verloopt grosso modo in vier fases:

 

  1. Beleidsvoorbereiding: het vormgeven en afstemmen van het concept tot het klaar is om in regelgeving te gieten
  2. Regelgevend proces: het schrijven van de decreetstekst en de uitvoeringsbesluiten en de regelgevende cyclus die de teksten moeten doorlopen voor de definitieve goedkeuring door het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering
  3. Toelichting aan het veld: het veld voorbereiden op de veranderingen die op hun afkomen
  4. Inwerkingtreding: het moment waarop het dko effectief begint te werken volgens de nieuwe regelgeving

 

Deze conceptnota is geen eindpunt. Verschillende aspecten zullen in het beleidsvoorbereidende proces verder uitgewerkt moeten worden. Voor heel wat vragen die ongetwijfeld zullen rijzen, hebben we op dit moment nog geen pasklare oplossingen. De beperkte budgettaire ruimte van de Vlaamse Overheid plaatst ons voor een bijkomende uitdaging. We willen ons inzetten om in dialoog met de sector binnen een aantal inhoudelijke contouren en budgettaire krijtlijnen tot een helder en sober niveaudecreet te komen dat academies echt vooruit helpt en dit uniek en gewaardeerd onderwijsniveau versterkt en veilig stelt voor de toekomst. In december 2016 zou een voorontwerp van Decreet klaar moeten zijn. In april 2017 zou dit voor een principiële goedkeuring naar de VlaReg kunnen. De inwerkingtreding is dus voorzien op 1/9/2018.

Deze conceptnota heeft niet de ambitie om prognoses te maken over de financiële gevolgen van bepaalde beleidskeuzes en houdt dus ook geen budgettaire engagementen in.

[1] Winner, E., Goldstein, T., Vincent-Lancrin, S., Art for art’s sake. Overview, OECD Publishing, 2013

[2] Advies over de conceptnota inhoudelijke vernieuwing deeltijds kunstonderwijs, Vlaamse Onderwijsraad, 10 mei 2011 en Advies over de discussietekst hervorming dko 2de nota, Vlaamse Onderwijsraad, 18 december 2012

[3] Verdieping/Verbreding – Perspectieven voor inhoudelijke vernieuwing van het deeltijds kunstonderwijs,, Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, december 2008.

[4] Smet, Pascal, Kunst Verandert! – Inhoudelijke vernieuwing deeltijds kunstonderwijs – Conceptnota, Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, maart 2011.

[5] Smet, Pascal, Discussietekst Inhoudelijke vernieuwing deeltijds kunstonderwijs – 2de nota, Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, oktober 2012.

[6] Advies over de conceptnota inhoudelijke vernieuwing deeltijds kunstonderwijs, Vlaamse Onderwijsraad, 10 mei 2011

Brief minister Hilde Crevits

Voor een toegankelijk, modern en kwaliteitsvol DKO

 

Beste directeurs, beste leerkrachten en medewerkers van het Deeltijds Kunstonderwijs,

Aan de start van dit nieuwe ‘academiejaar’ sta ik er op u mijn beste wensen over te brengen en een aantal goede voornemens uit te spreken voor het komende werkjaar. Op de laatste ministerraad voor het zomerreces werd de conceptnota ‘Niveaudecreet deeltijds kunstonderwijs’ goedgekeurd. Deze conceptnota is het resultaat van een lang proces. Werkgroepen, adviesraden, rapporten, voorstellen, nota’s, discussieteksten en proefprojecten hebben de afgelopen jaren elk op hun manier een waardevolle bijdrage geleverd aan wat een breed gedragen niveaudecreet moet worden. Dit langverwachte niveaudecreet, dat in werking zal treden op 1 september 2018, wil dan ook tegemoet komen aan zo veel mogelijk terechte verzuchtingen van de sector zonder daarbij de budgettaire realiteit uit het oog te verliezen.

Uit recente studies van de OESO blijkt nog maar eens het intrinsieke belang van kunstonderwijs niet alleen voor het verwerven van artistieke vaardigheden zelf maar ook voor het ontwikkelen van een habit of mind, een manier van denken en in het leven staan. Daarnaast wordt ook de rol van kunstonderwijs voor het behoud en de overdracht van cultureel kapitaal naar volgende generaties in de verf gezet. Ook de expliciete link tussen kunstopleidingen en het opstarten van innovatieve processen en zelfs de correlatie met succes in het hoger onderwijs worden de laatste jaren steeds vaker belicht.

Vlaanderen heeft een lange traditie van kunstonderwijs en het dko heeft een solide reputatie in het organiseren van hoogkwalitatieve opleidingen. De leerlingenaantallen zitten dan ook al jaren in de lift, intussen volgen jaarlijks meer dan 175.000 leerlingen een opleiding in het dko. 1 op 6 jongeren tussen 6 en 18 combineert het leerplichtonderwijs met het dko. Het internationale succes van onze Vlaamse acteurs, beeldende kunstenaars, dansers en muzikanten is daar zeker niet vreemd aan. De gedrevenheid en artistieke expertise van leerkrachten en directeurs liggen mee aan de basis van dit succes.

Leerkrachten en directeurs mogen vandaag terecht trots zijn op wat hun academies bieden. Het zijn centra van artistieke bedrijvigheid, niet alleen voor de leerlingen die er in hun vrije tijd les volgen, maar ook voor het lokale culturele leven. Een sterk en zichtbaar dko is het vlaggenschip van een dynamische gemeente en regio die op cultureel en gemeenschapsvormend vlak floreert.

Leerlingen en ouders willen een kunstonderwijs dat garant staat voor kwaliteit en tegelijk rekening houdt met de eigenheid van elke leerling, met zijn wisselende levensloop, met zijn interesses. Ze vragen een onderwijs dat vertrekt vanuit de talenten van de leerling om die ten volle tot ontplooiing laat komen. Een onderwijs dat zich op aanvaardbare afstand bevindt, dat toegankelijk, kwaliteitsvol en flexibel is.

Een Vlaanderen waarin ‘Verbeelding werkt’ wil dit motto dan ook voor het deeltijds kunstonderwijs in krachtdadig beleid omzetten. Zo is het de uitdrukkelijke ambitie de participatiegraad van jongeren in de kunstacademies nog te verhogen. Daarom is dit jaar, ondanks de budgettaire beperkingen, het verlaagde inschrijvingsgeld voor jongeren veilig gesteld en zelfs uitgebreid naar alle jongeren tot 24 jaar.

De ministerraad heeft nu de krijtlijnen goedgekeurd van een nieuw decreet voor het deeltijds kunstonderwijs waarmee ik een driedubbele ambitie wil waarmaken: een vereenvoudiging van de regelgeving, een stevige verankering binnen Onderwijs en een verrijkende wisselwerking met de kunstensector en het kleuter- en leerplichtonderwijs.

Vereenvoudiging van de regelgeving

De dynamiek van ons dko staat in schril contrast met de verouderde juridische kaders waarbinnen het moet werken. De regelgeving schrijft gelijkvormige leertrajecten voor die te weinig inspelen op de wensen en verwachtingen van leerlingen van de 21ste eeuw. Leerlingen vragen zich af waarom ze niet vanaf zes jaar met woord of muziek kunnen starten, of waarom ze niet meteen met een instrument aan de slag kunnen. Voor het einde van deze legislatuur wil ik daarom een coherente, transparante juridische basis leggen die de pedagogische en artistieke vrijheid van de lokale schoolbesturen vergroot. We bieden academies de mogelijkheid om binnen de grenzen van de eigen budgetten zelf opleidingen inhoudelijk en organisatorisch vorm te geven. Op die manier kunnen academies autonoom de instapleeftijd voor een bepaalde opleiding of de leeftijd waarop met een instrument begonnen wordt, bepalen en zo eigen accenten leggen of inspelen op lokale noden. De nieuwe regelgeving moet ook voldoende rechtszekerheid bieden aan personeel en leerlingen en tegelijkertijd de planlast van de academies verminderen. Zo moet onder meer de bewijslast voor verlaagde inschrijvingsgelden verminderd en de inning van de gelden zelf geautomatiseerd worden.

Stevige verankering binnen Onderwijs

Transparante einddoelen en een geactualiseerde opleidingsstructuur moeten het dko sterker verankeren binnen Onderwijs. De erkenning van het dko als volwaardige onderwijsvorm met dito niveaudecreet impliceert een duidelijk kader voor financiering en programmatie met ruimte voor vrij initiatief. De programmatiestop willen we daarom vervangen door een doelmatige regelgeving die academies weer ademruimte geeft. De erkenning van dko als volwaardig onderwijs betekent ook dat leerlingen na het succesvol doorlopen van een leertraject een erkende kwalificatie behalen. Zo krijgen de uitgereikte studiebewijzen een ‘civiel effect’ dat ook buiten de muren van het dko beter gevaloriseerd wordt.

Wisselwerking met de kunsten en het kleuter- en leerplichtonderwijs

Academies zijn geen ivoren torens. Voor het deeltijds kunstonderwijs zijn de evoluties in de kunsten, zowel de amateurkunsten als professionele kunsten, van groot belang. We willen bewust de synergie en dialoog met deze sectoren aanmoedigen om hun typische dynamiek en diversiteit nog meer in onze academies te brengen. Daarnaast willen we de onlosmakelijke band onderstrepen tussen kunstonderwijs, cultuureducatie en cultuurparticipatie. De emancipatorische kracht van cultuureducatie in het Onderwijs in het algemeen kan nauwelijks overschat worden. Heel wat kinderen en jongeren ontdekken theater, literatuur, musea of minder evidente muziekgenres enkel via de school. Naast leren over kunst moet onderwijs leerlingen vooral prikkelen en inspireren om zelf kunst te ontdekken. Leerkrachten in het kunstonderwijs zijn het best geplaatst om deze vonk te laten overspringen, niet alleen bij leerlingen maar ook bij leerkrachten uit het leerplichtonderwijs. Zij kunnen hun collega’s van het basis- of secundair onderwijs inspireren en ondersteunen op het vlak van muzische vorming en leerlingen op een laagdrempelige manier laten kennis maken met een kunstopleiding. Ook de multifunctionele schoolgebouwen van de toekomst kunnen de vruchtbare wisselwerking tussen leerplichtonderwijs en dko ten goede komen.

Deze conceptnota zal uiteraard geen eindstation zijn, het is wel een belangrijke stap in een niet aflatend proces om in nauwe samenspraak met de sector en binnen een aantal inhoudelijke contouren en budgettaire krijtlijnen een ambitieus niveaudecreet uit te rollen. Dit decreet moet het juiste kader scheppen om de creativiteit van academies volledig tot haar recht te laten komen en dit uniek en gewaardeerd onderwijsniveau te versterken en voor te bereiden op de uitdagingen van de toekomst.

Ik wens u allen dan ook een vruchtbaar werkjaar vol creativiteit en inspiratie en een geslaagde start!

Hilde Crevits, Vlaams minister van Onderwijs

Een nieuwe raadgever DKO

 

 

Op vrijdag 21 november was een delegatie van het bestuur van LeVeDKO te gast op het kabinet van onderwijs om er een kennismakingsgesprek te hebben met onze kersverse raadgever onderwijs/DKO Lies Reynaert. Wat begon als een kennismaking mondde al snel uit in een  boeiend en constructief gesprek

Laten we jullie eerst Lies Reynaert voorstellen. Lies is een pas afgestudeerde Master in de politieke wetenschappen die zich met veel enthousiasme werpt in haar nieuwe job als raadgever onderwijs. Dat het DKO tot één van haar kerntaken behoort heeft wellicht ook te maken met het feit dat het DKO haar niet totaal vreemd is . In haar thuisstad Torhout studeerde ze 9 jaar piano en 6 jaar cello aan de plaatselijke muziekschool.

We vroegen Lies wat haar taak als raadgever inhoudt. Haar hoofdtaak bestaat erin dat ze alle dossiers die verband houden met het DKO opvolgt en op die manier Minister Crevits kan informeren over de stand van zaken in de hangende dossiers en de verzuchtingen van het veld. Vanuit deze vergaarde kennis is ze niet alleen raadgever voor de Minister en haar kabinetsmedewerkers maar vervult ze die taak ook naar het veld toe. Directeurs en leerkrachten kunnen ook bij haar terecht. Los van deze kerntaak houdt Lies Reynaert zich ook bezig met schaalvergroting en ondersteunt ze een collega bij de modernisering van het secundair onderwijs. Op haar beurt wordt ze dan weer ondersteund door mensen van de dienst administratie.

LeVeDKO polste natuurlijk ook naar de toekomstvisie van Minister Crevits betreffende het DKO. Hierbij verwezen we uiteraard naar de decreetontwerpen van de vorige legislatuur. Momenteel is men bezig aan een document dat zicht moet geven waar het DKO vandaag staat en welke elementen van de decreetontwerpen uit vorige legislaturen meegenomen kunnen worden in een niveaudecreet dat binnen deze legislatuur gerealiseerd zou moeten worden. Belangrijk hierbij is de budgettaire context en een draagvlak hiervoor onder de belanghebbenden. Bedoeling is niet om een ware aardverschuiving te creëren binnen het DKO, maar wel stapsgewijs en in dialoog met de stakeholders tot een niveaudecreet te komen.

Het kon ook niet anders of we moesten het hebben over de mogelijke besparingen. In het oog springt de sterke verhoging van het inschrijvingsgeld van de volwassenen. De Minister ging voor deze keuze omdat ze op deze manier de kinderen en jongeren kon vrijwaren van een verhoging, wat voor  haar een absolute prioriteit was. Ze wijst er op dat de gemeenschap nog altijd een groot deel van de onkosten van  volwassen leerlingen draagt en het bedrag de gemiddelde prijzen van andere activiteiten, clubs of organisaties zeker niet overstijgt. Tegelijk beseft ze dat hierdoor een uitval zal volgen. Daarom vraagt LeVeDKO meer flexibiliteit in het traject voor volwassenen. Door het traject minder rigide te maken hopen we een uitval te beperken en de concurrentie van de privésector voor te kunnen blijven. Een positief punt is dat het begrip ‘kind’ wordt opgetrokken tot 24 jaar. Leerlingen tussen 18 en 24 betalen bijgevolg het verminderd tarief van 125 € ongeacht ze nog studeren of al werken.

LeVeDKO vraagt naar concrete cijfers over de impact van de inperking van de aanwendingspercentages en meer concreet de impact op het aantal joburen. Lies Reynaert benadrukt dat er inderdaad besparingen nodig zijn. Waar er bespaard zal worden, wordt nog bekeken. Besparen op het aanwendingspercentage is hierbij een van de opties, maar hierover is nog niets beslist.

We schoven nog een aantal aandachtspunten naar voren:

– voldoende lestijden/leerling zijn noodzakelijk voor het behoud van de kwaliteit. Dat geldt ook voor de klasgrootte (splitsingsnormen)

– lesbevoegdheid en diplomavereisten zoals ze nu zijn zorgen voor wantoestanden binnen de disciplines Woord en Dans. Ook op het gebied van reaffectatie geeft dit problemen.

– wat met de mogelijkheid om binnen het onderwijs over te stappen naar een ander niveau ( mits bijscholing voor bv leerkracht secundair) zonder verlies van anciënniteit ? Van leerplichtonderwijs naar DKO is dit mogelijk, omgekeerd is onduidelijk.

– de problematiek van fysieke belasting bij de dansleerkrachten en het optrekken van de pensioenleeftijd is een heikel punt waar voor oplossingen moet worden gezorgd. Erkenning als zwaar beroep is een moeilijke procedure en gebeurt via een interprofessioneel akkoord. Dit is dus federale materie waarbij het kabinet van onderwijs niet de enige partner aan tafel is. Momenteel bestaat de enige oplossing erin een vrijstelling van beroep aan te vragen door middel van een medisch dossier. Bij goedkeuring kan de leerkracht ingezet worden voor andere taken bv administratie, toezicht , leerlingenbegeleider enz. Uit ervaring  weten we dat deze vrijstelling niet makkelijk wordt gegeven. De zoektocht naar een aanvaardbare oplossing kan nog niet gestaakt worden.

– het ontbreken van een masteropleiding dans wordt door de dansleerkrachten nog altijd als een gemis ervaren. Het betekent ook dat een dansleerkracht die wel een masteropleiding genoot in het buitenland hier in België maar  verloond kan worden als bachelor. De piste om toch een masteropleiding  op te richten kan best nog eens onderzocht worden maar de implementatie ervan zal op korte termijn gezien de budgettaire toestand niet evident zijn.

– lestijden van 50 min. in podiumkunsten mogen niet leiden tot urenverlies. Lies Reynaert stelt ons gerust dat een eventuele omschakeling naar lestijden van 50 min. gecompenseerd zal worden. De globale studietijd voor podiumkunsten moet behouden worden. Het zal zeker aan aandachtspunt blijven bij een mogelijke hervorming.

Tenslotte hebben we nogmaals de aandacht gevestigd op het unieke karakter van ons gesubsidieerd kunstonderwijs . Het garandeert een hoge kwaliteit en een grote toegankelijkheid. We mogen terecht trots zijn op onze sector maar moeten ook waken dat kwaliteit en zekerheid beschermd en bewaard blijven.

Lies Reynaert neemt de aangehaalde punten mee naar verdere besprekingen en zal waar nodig experten raadplegen. Zij benadrukt het belang van LeVeDKO als spreekbuis voor de leerkrachten naar het kabinet toe. De beleidsnota onderwijs is klaar en draagt de titel : “Vol vertrouwen en in dialoog bouwen aan onderwijs”. Vragen en verzuchtingen mogen altijd doorgegeven worden op volgend adres: lies.reynaert@vlaanderen.be

Uiteraard mogen reacties ook naar ons gekend mailadres worden gestuurd: levedko@hotmail.com

Besparingen in het DKO !

 

Recentelijk werd bekend welke besparingen er voor volgend schooljaar gepland worden.

–          De werkingsmiddelen worden verminderd met 10 %

–          Het inschrijvingsgeld voor volwassen leerlingen wordt verhoogd naar 300 €

–          De aanwendingspercentages worden verminderd met 2%

Deze laatste twee maatregelen zullen rechtstreeks invloed hebben op het aantal beschikbare lesuren.

M.a.w. dit zal onvermijdelijk leiden tot job verlies waarbij vooral de jonge leerkrachten het slachtoffer van zullen zijn.

Overleg met de sector werd niet gepleegd.

Voor het schooljaar 2016-2017 wordt voor het gehele onderwijsveld nog een grotere besparing voorzien waarbij het DKO wellicht weer in de prijzen zal vallen.

Onderwijskoepel hoopt dat muziek- en tekenacademie niet duurder wordt.

Het OVSG, de onderwijskoepel van de Vlaamse steden en gemeenten, hoopt dat de nieuwe Vlaamse regering het inschrijvingsgeld van het deeltijds kunstonderwijs – de muziek-, dans- en beeldende kunstacademies zeg maar – niet drastisch verhoogt. Dat zou immers leiden tot minder cursisten en ook minder tewerkstelling, zegt de koepel.

De nieuwe Vlaamse regering staat voor een zware besparingsoperatie. Op het vlak van onderwijs zal het hoger onderwijs het met minder middelen moeten doen, waardoor de inschrijvingsgelden daar wellicht zullen stijgen.

Over het deeltijds kunstonderwijs is nog niets bekend. Steden en gemeenten zijn de voornaamste inrichters van deeltijds kunstonderwijs (dko) en zouden een verhoging geen goed idee vinden. “De laatste keer dat de inschrijvingsgelden zijn verhoogd was onder minister Luc Van den Bossche (SP, eind jaren 90, nvdr). Dat zorgde toen voor een daling van het aantal cursisten en een daling van de omkadering en van de werkgelegenheid”, zegt Patriek Delbaere, algemeen directeur van OVSG.

‘Ik begrijp de omstandigheden, maar we krijgen al niet zo veel van de centrale overheid. De infrastructuur wordt immers aangeleverd door de gemeenten zelf. En we moeten vermijden dat het dko geen elitair onderwijs wordt. Talent ontwikkelen doe je ook in het dko. Talent verloren laten gaan is ook een maatschappelijk verlies’, zegt Delbaere.

 


Nieuwe maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften!

 

Het wordt voor alle academies mogelijk om hun opleidingen beter af te stemmen op leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften (leerstoornis, handicap). Zoals vandaag kan dat ook in de toekomst in de eerste plaats door specifiek voor deze leerlingen  aanpassingen te doen aan de organisatie van het gemeenschappelijke curriculum, zoals bepaald in de organisatiebesluiten en (minimum)leerplandoelen, zodat zij alle vakken kunnen blijven volgen en de (minimum)leerplandoelen kunnen bereiken. In de geest van het VN-verdrag inzake rechten van personen met een handicap en het decreet betreffende maatregelen voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften (beter bekend als het M-decreet) gaan we ervan uit dat de academie daarvoor redelijke inspanningen levert. Voorbeelden van redelijke aanpassingen zijn: de leerling krijgt meer tijd of bepaalde hulpmiddelen om een opdracht uit te voeren, de leerkracht gebruikt een aangepaste methode, er zijn remediërende lessen, de evaluatie gebeurt in een aangepaste vorm, ….

Als de academie echter vaststelt dat een leerling ondanks redelijke aanpassingen toch onvoldoende leerwinst zal kunnen boeken, kunnen de directeur en betrokken leerkrachten in samenspraak met de leerling (en zijn ouders) een individueel aangepast curriculum uittekenen. Een individueel aangepast curriculum is enkel mogelijk voor leerlingen die

beschikken over een verslag buitengewoon onderwijs of ingeschreven zijn in het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH). In een individueel aangepast curriculum kan de academie afwijken van de (minimum)leerplandoelen, de toelatingsvoorwaarden (behalve de minimumleeftijd om in te schrijven in het dko) en de  bepalingen inzake evaluatie. Indien noodzakelijk kan de academie ook een aangepast lessenrooster samenstellen. De leerling zal dan bepaalde vakken niet of slechts gedeeltelijk (minder lestijden) volgen, maar blijft wel evenveel financierbaar.

De leerling  met een individueel aangepast curriculum schrijft zich in voor een bepaalde graad en een bepaald leerjaar en doorloopt vervolgens de verschillende leerjaren. Daarna gaat hij over naar de volgende graad.

Het leertraject van een graad kan maximaal één leerjaar langer duren dan het reguliere traject, maar dat hoeft niet.

Info specifiek voor academies met een tijdelijk project aangepaste beeldende vorming, ortho-agogische muzikale vorming of inclusief muziekonderricht

De mogelijkheid voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften om binnen de reguliere opleidingenstructuur een individueel aangepast curriculum te volgen, maakt de tijdelijke projecten die een specifiek opleidingsaanbod voor deze leerlingen voorzien overbodig.

Om de betrokken academies de tijd te geven om in samenspraak met de leerlingen (en hun ouders) een dergelijk individueel aangepast curriculum te ontwikkelen, lopen de tijdelijke projecten nog door in het schooljaar 2014-2015. Waar dat relevant is geldt vanaf 1 september 2015 voor de leerkrachten die in een dergelijk tijdelijk project les gegeven hebben een ambtshalve concordantie.